Nicolas Bouvier en Alphons Hustinx: wat zijn de lessen van deze reisbloggers avant la lettre?

Dit artikel gaat over twee duo’s die op verschillende momenten in de tijd (jaren dertig en jaren vijftig) beiden met een auto een reis maakten naar Afghanistan. Ze waren in mijn optiek reisbloggers avant la lettre – maar in een tijd dat je soms sneller omhoog een berg op liep dan reed met een auto. Wat Indipendenza wil weten: welke lessen kun je hieruit trekken als moderne reisblogger?

31 januari 2020 / 2550 woorden / 20.5 minuten leestijd / thema’s: reizen, Midden-Oosten, Azië, auto’s, jaren dertig en vijftig / sommige stukken van dit artikel zijn in andere bewoordingen al gepubliceerd in Jegens & Tevens

Allereerst een introductie van deze reizigers:

Nicolas Bouvier en Thierry Vernet: van Joegoslavië tot Afghanistan in een Fiat Topolino in 1953 en 1954

Nicolas Bouvier (1929 – 1998) was een wereldburger die niet meer nodig had dan een goede vriend (Thierry Vernet) en een auto (Fiat Topolino) om rond te gaan reizen. Hun grote reis in 1953 en 1954 was zijn grootste onderneming tot dan toe. Ze reisden naar Afghanistan. Bouvier beschreef en Vernet tekende hun grote reis. Redmond ‘O Hanlon en Colun Thubron zijn twee namen van beroemde schrijvers die zeiden groot fan te zijn van Nicolas Bouviers reisverslag L’Usage du monde (De Wegen van de wereld). Er zit dan ook iets in wat je niet vaak leest in zulke reisverslagen: mooie literatuur.

Alphons Hustinx en Theo Regout: van Maastricht naar Afghanistan in een Ford A in 1932

Alphons Hustinx (1900 – 1972) was een al even avontuurlijke reisblogger avant la lettre. Hij kon jurist worden maar koos voor een loopbaan als fotograaf en avonturier. De Tweede Wereldoorlog legde hij vast, maar ook een aantal verre reizen. Ze werden gepubliceerd in bladen als de Maasbode en De Telegraaf. Prachtig onderwerp natuurlijk voor een expositie, zoals in 2018 in Gem in Den Haag te zien was. Dit is een van Hustinx’ Arabische reizen. Hustinx reisde in 1932 met zijn maat, Theo Regout, van Maastricht naar Afghanistan. Ook deze reis werd via artikelen geplaatst in de Maasbode en De Telegraaf.


1. Heb moed

Bouvier en Vernet rijden van Joegoslavië naar Turkije, Iran, Pakistan en Afghanistan. Een en al bergpassen! Dat zou met een landrover soms al lastig zijn, laat staan in 1953 in een Fiat Topolino. Vertaling: Fiat babymuisje.

Die auto is belangrijk in het verhaal – een soort derde personage. Tijdens de reis is ie meer stuk dan in werking. Vaak genoeg moeten ze zelf repareren of wachten ze op onderdelen. Soms rijden ze alleen in de tweede versnelling want de derde is stuk.

We liepen meermalen tot aan de motorkap vast in de modder, zonder enige hoop dat we er op eigen houtje uit zouden komen. In zo’n geval is het nog het beste om je op hurken te gaan zitten wachten tot er een kar voorbijkomt en een beetje om je heen te kijken.

Zes uur doen ze over een tocht over de Ordupas van tweeëntwintig kilometer afstand. Dat is langzamer dan lopen! Een andere keer moeten ze alle bagage de berg optillen en vervolgens de auto omhoog duwen, midden op de dag, met doeken, de auto zelf is te heet.

Hier vind je het ouderwets echte lijden in reisverhalen. Geen flauwe opmerkingen over vliegtuigen met onprettige stoelen. Een punt van verschil met de huidige generatie reisbloggers is dat het veel minder klagen is en veel meer ondergaan.

Smeltende sneeuw in Azerbeidzjan

2. Neem de tijd en observeer

Je sluit het boek en de eerste vraag die in je opkomt is: wat deed hij daar eigenlijk? Bouvier hoefde niet echt naar Macedonië, Servië, Turkije, Iran (Perzië) of Afghanistan. Hij had niet echt iets met de landen waar hij heen reisde. Geen familie. Geen werk. Geen liefje.

Ze deden niet aan journalistiek, ook niet aan wetenschap, hoewel hij goed kon observeren. Hij hoefde er kortom niets te doen.

Maar dat is het hem juist. Bouvier wilde reizen, echt reizen, het echte leven ervaren. Hij moest en zou die landen ontdekken, proeven, voelen. Hij moest en zou dat op papier zetten. En hij moest en zou dat op bijzondere wijze doen. Een roeping die sterker was dan al het andere.

Nicolas Bouvier en Thierry Vernet

Reisverhalen zijn soms tijdreizen. Het grappige is dat ze door landen reisden die toen nog anders waren dan de landen die ze nu zijn. In 1954 is dit nog Iran:

‘In Parijs zul je niemand vinden die Perzisch spreekt, terwijl in Teheran hele volksstammen (…) vloeiend Frans spreken. (…) Het is gewoon de Iraanse cultuur, die nieuwsgierig is naar alles wat anders is.’

Maar ze horen al de eerste geluiden:

‘’De islam hier, de ware islam? Dat is afgelopen… niets dan fanatisme, hysterie en alle ellende die daaruit voortvloeit. Altijd bereid om razend en tierend achter hun zwarte banieren te lopen… (…) Fanatisme, ziet u, is het laatste verzet van de arme (…)’

3. Schaaf aan je tekst tot je erbij neervalt

Alain Dufour zat bij hem in de klas en werd later zijn uitgever. In het voorwoord van het reisverhaal legt hij uit dat Bouvier een avonturier pur sang was en dat het reizen voor hem een onbedwingbare passie was, of hij er nu wel of geen geld voor had.

In feite deed Bouvier wat mensen nu massaal doen: reizen naar onherbergzame landen en opschrijven wat je ziet. De verschillen met al die hedendaagse blogs en tijdschriften is de tijd (een half eeuw eerder), de locatie (wie reist er voor zijn lol door Iran, Azerbeidzjan, Koerdistan en Afghanistan?) en de enorme aandacht voor de stijl.

Schaven, daar gaat dit boek ook over. Dat is iets waar elke vliegensvlug publicerende blogger vandaag de dag goed van kan leren. Verspil je tijd niet aan populair worden met wegwerpblogs maar streef naar iets unieks! Wees kritisch op je eigen teksten.

Drie jaar heeft Bouvier aan het boek lopen schaven. Dat betaalt zich uit in geweldig leesplezier. Volop aandacht voor sfeer, prachtig beknopt geschreven, herinnerend aan de autobiografische boeken van Konstantin Paustovskij, die (voor mij althans) de top zijn in goed geschreven reisproza. Verveling slaat niet toe bij de lezer als je als schrijver zo ambachtelijk aan je teksten schaaft.

‘Het gesprek wil niet vlotten. De man is al jaren met pensioen. Hij was ooit hoofd van politie in een klein stadje in het zuiden, hij kent niemand meer op het hoofdbureau… Hij is trouwens alles vergeten. Maar met een potje schaken zouden we hem een groot plezier doen. Hij speelt heel langzaam, dommelt in. Een verloren dag…’

Mooie karakters zijn essentieel voor een goed reisboek – mensen die door de bladzijden heen gaan leven. Dat kun je niet afdwingen. Ten eerste moet je ze tegenkomen. Ten tweede moet je ze kunnen schetsen. En ook letterlijk, zoals Vernet doet.

Tekening van Thierry Vernet

De periode in Tabruz is denk ik ook een van de beste stukken in het boek. Gedwongen om een half jaar stil te staan (geldgebrek uiteraard), leren ze nog beter kijken naar de mensen in hun omgeving.

Ook het portret van Terence in Quetta is sterk. En de arrogante Italiaanse dokter in Kandahar. ‘Houden we van Oscar Wilde? In zijn vrije tijd vertaalt hij hem in het Italiaans.’ Interessant tijdverschil: dat toneelstukje van deze arts, zij kijken er zo doorheen, maar dat is in onze tijd de gangbare manier van jezelf presenteren (‘verkopen’).

4. Sta voor het unieke van je reisboek

Een erg mooi geschreven, ‘moeilijk’ en kwetsbaar reisboek. Geen wonder dat dit boek bijna nooit was uitgegeven.

Zelfs toen uitgeverij Gallimard, toch wel dé uitgeverij van die tijd, het wilde uitgeven, kwam Bouvier teleurgesteld terug. Ze wilden de tekeningen van Thierry er niet bij doen.

Geen haar op Bouviers hoofd die eraan dacht om voor zulke commerciële redenen door de knieën te gaan. Dan moest het maar niet uitgegeven worden.

Een ander bijkomend element is misschien dat Bouvier een Zwitser was. Hij zat niet bepaald op de Franse literaire radar, die voornamelijk gericht was op Parijs.

Later gebeurde het dus wel bij de uitgeverij waar zijn vriend Dufour ging werken. Eigenlijk een wetenschappelijke uitgeverij, maar hier maakten ze een uitzondering voor. Het was te bijzonder.

En eindelijk, in 2009, is het vertaald en in het Nederlands uitgegeven door Bas Lubberhuizen, mét tekeningen, voorwoord en foto’s. Erkenning komt bijna altijd te laat maar is nog altijd beter dan een vergeetbare like op Facebook.


5. Geef de reis de hoofdrol

De reis van Alphons Hustinx en Theo Regout met de A-Ford (opvolger van de T-Ford) zat natuurlijk even vol ontberingen als die van Bouvier en Vernet. Misschien nog wel voller. De hoogste snelheid van de A-Ford was namelijk 100 km per uur. En dat was de hoogste snelheid.

Nog meer dan bij Bouvier had de auto een hoofdrol. Ze reden vaak door terreinen waar je je nu zelfs nauwelijks met Landrover of Jeep zou wagen. Diverse foto’s gaan dan ook over autopech en het vragen naar de juiste weg.

Het enige waar ik het een beetje mee kan vergelijken, zijn de specials van het programma Top Gear/The Grand Tour, maar dan wat minder ondeugend. Groot verschil: Hustinx en Regout moesten overleven met zijn tweeën terwijl de drie van Top Gear een crew van honderden mee hebben.

De A-Ford.

6. Zoek naar het droogkomische

Met de hoofdrol voor de auto, lijkt de auto bijna belangrijker te zijn dan de reizigers zelf. Dat komt ook terug in de foto’s, waar de auto meer contact lijkt te hebben met de lokale bevolking. Vooral de tweede foto is meesterlijk in zijn absurdisme.

In een zo’n foto zit zoveel verhaal. Waar is dit? Hoe reageerden de bedoeïenen op de auto die voor hun stond? En nog belangrijker: wat stond er op die wegwijzerborden?

Ook al is de kans groot dat de foto in scène is gezet, toch toont Hustinx denk ik met zulke foto’s een feilloos instinct voor wat zijn krantenlezer in de jaren vijftig zou verbazen. Zelfs anno nu! We leven praktisch in een beeldcultuur en toch is dit een verbazingwekkende foto.

Het is bijna een reisverhaal over een auto – dan een reisverhaal van twee Nederlanders die permanent de weg kwijt zijn. Dat geeft deze reportage iets futuristisch. Alsof we kijken naar een tijd dat apparaten zelf reizen. Een knipoog naar animatiefilms zoals Cars.

7. Doe iets bijzonders op een moment dat anderen iets anders doen

De reizigers zochten het ook wel een beetje op. Typische jongvolwassenen op zoek naar het grootst mogelijke avontuur. Een dergelijke reis zou nu misschien niet meer zo opvallen maar toen was het een echte belevenis. Reizen naar Italië, Zuid-Duitsland en Griekenland waren populair maar naar Afghanistan rijden deed echt nog niemand in de jaren dertig.

“Het terrein is moeilijk in de Syrische woestijn. Kuilen, keien en zandhoopen, die ontweken moeten worden. We lossen elkander om de 150 K.M. aan het stuur af. Om het half uur passeeren we een wit kameel karkas. Het zijn de eenige voorwerpen, waaraan het zoekend oog een houvast heeft, in deze egale uitgestrektheid, zonder iets.”

Soms rijd je als kijker in verbeelding met ze mee op de achterbank – zo goed is uit hun foto’s en teksten voor te stellen hoe de reis was. Wederom dat kunnen lijden dat wij in onze tijd (paar uurtjes vliegen naar Afghanistan) niet meer gewend zijn.

“We gooien de ramen weer open, want de hitte binnen is verstikkend, en binden onze zakdoeken voor neus en mond, zetten de stofbrillen op en dan maar vooruit.”

De stijl van de foto’s is mooi maar ik mis wel het gevoel voor stijl van bijvoorbeeld Cas Oorthuys – voor mij nog steeds een van meest bijzondere fotografen die ons land heeft voortgebracht.

Hustinx’ foto’s van Nederland na de oorlog ogen inwisselbaar met wat je al goed kent van andere fotografen. Ja, de foto’s zijn in kleur. Toch is het in aanpak niet veel anders dan andere persfotografie uit die tijd. De foto’s van de Afghanistantrip steken er bovenuit, omdat je hier te maken hebt met de zeldzaamheidsfactor.

8. Neem iemand mee die ook een talent heeft

Wat zowel Bouvier als Hustinx kenmerkt, is dat er nog iemand meeging die niet alleen gezelschap vormde, een figurant in het verhaal, maar zelf ook een bijdrage leverde.

Dit is bijvoorbeeld ook een beetje de expositie van filmer Theo Regout. Want de compagnon van Hustinx maakte van de film een reisverslag van ruim 70 minuten. Die is ook te zien in het Fotomuseum. Een rare ervaring: ineens komen de foto’s van Hustinx tot leven. Zie deze video van Eye voor een versie van drie minuten:

Belangrijkste lessen voor reisbloggers?

De les die je hieruit kunt trekken, is vooral: stop er maar mee. Het zal nooit uitdagender of beter of meer lijden worden dan wat deze reisbloggers avant la lettre al deden. De teksten zullen niet merkwaardiger zijn. De foto’s en films zullen niet maffer zijn dan wat zij maakten. Het is al gedaan, leg je erbij neer. Je zal nooit beter worden dan een slechte kopie.

Hustinx en Bouvier vertelden toen nog iets nieuws. Nu is dat alles voor iedereen binnen handbereik. Internet maakt alles maar een klik van ons verwijderd. Avontuurlijke vakanties: de nieuwste rage. Zelfs als iemand nu zou fietsen naar Afghanistan zou je denken: er zijn je al honderden voorgegaan. En dan nog mis je de couleur locale van de twintigste eeuw die in onze mondiale samenleving steeds meer verwaterd. We zijn simpelweg niet vroeg genoeg geboren.

Maar… de belangrijkste les: dóen, kan iedereen wel toepassen. Door simpelweg origineel nadenken kun je een eigen variant maken van wat Bouvier en Hustinx in hun tijd deden. Misschien moeten we het juist weer wat kleiner maken? Van grote reizen terug naar kleine reizen? Een verhaal over de kust van België, lekkere hapjes in Sicilië, het openbaar vervoer in Portugal? In alles zit een boeiend onderwerp verborgen om één voorname reden: dat je het boeiend weet te vertellen.

En wijk af van de ‘regels’. Foto’s en video’s, daar barst het internet van. Toen W.F. Hermans essays lardeerde met zijn eigen foto’s was dat nog redelijk ongewoon. Nu kun je bijvoorbeeld met geluiden (die je kunt opnemen met elk apparaat) je blogs mysterieuzer maken. Onderzoek de vernieuwende mogelijkheden van het web, want er is veel mogelijk.

Boven alles is het belangrijkste dat je je eigen stijl vindt en dat je niet andermans blogs naschrijft. Alleen maar omdat dat nu eenmaal nu in de mode is. Wat nu in de mode is, is morgen uit de mode: dat vergeten veel enthousiaste bloggers. Niets anders dan je eigen verbeelding houdt je tegen.

Je kunt ook punten scoren op lezen. De meeste bloggers houden daar niet zo van. Ze denken meer aan marketing, jezelf verkopen, en hebben niet door dat wat ze doen daardoor veel waarde verliest in de loop der tijd. Met lezen voorkom je die valkuil – dan heeft de toekomstige lezer er ook nog wat aan.

Tot slot komen talent en ambacht weer om de hoek kijken. Het kost bloed, zweet en tranen om het echt goed te maken. En dus tijd! En dat is precies waar de meeste bloggers het vandaag de dag laten liggen. Ze zijn te snel. Hun teksten te inwisselbaar. Meer een druppel in de oceaan willen zijn, dan je eigen leuke meertje vormen.

Wil je je echt onderscheiden? Schakel je eigen gehaastheid uit en begin te genieten van elk woord dat je schrijft. Beter een interessant blog op je eigen website dan tien gemiddelde posts op Facebook.

Meer informatie