Hoe was Amsterdam in 1962?

Hoe was Amsterdam in 1962?

Amsterdam heeft diverse gedaanteverwisselingen gekend. Bijna ieder decennium in de twintigste eeuw leek de stad weer totaal anders dan in het vorige decennium. We weten van sommige perioden goed hoe het eruit zag en van andere weer wat minder. In dit artikel wil Indipendenza weten: hoe zag Amsterdam eruit in het jaar 1962?

1 mei 2021 / 2497 woorden / 19 minuten leestijd / thema’s: geschiedenis, amsterdam, jaren zestig / niet eerder gepubliceerd

Waarom 1962? Er zijn een paar redenen. Het is het Amsterdam dat ik zelf niet ken omdat ik toen nog niet geboren was. Ook was het een fascinerend moment tussen het ‘oude’, kneuterige en dorpse Amsterdam en het moderne en wereldwijd bekende Amsterdam.

Daarnaast hebben we dankzij het boekje Amsterdam is een beetje gek van Bas Roodnat – de aanleiding van dit artikel – een mooie dwarsdoorsnede van het leven in Amsterdam in 1962. Hij schreef het boekje in een vlotte (maar niet hippe) stijl en het is nog steeds goed leesbaar.

Tot slot is 1962 bijna zestig jaar geleden, en om te weten hoe snel steden kunnen veranderen, kun je ook terugkijken.

Bas Roodnat was toen hij aan dit boek werkte nog een jonge, ambitieuze journalist van 32 jaar. Zijn eigen hoofdredacteur (Henri Knap) zegt in het voorwoord: ‘Ik las zijn eerste stukje, dacht: die jongen leert het vást wel, hij hééft het, en wierp het in de prullenmand. (…) En nu schrijft die jongen warempel al boeken over Amsterdam! Daar merk ik pas góed aan hoe snel de jaren zijn voorbijgegaan.’

Roodnat zou nog werken als journalist bij het Parool, NRC en VARA werken en ook bekend worden als fotojournalist. Ook van zijn hand, en al even interessant is het boek: Wij zijn gek: Nederlandse straatkunst in de jaren zeventig (1977).

1. Amsterdam was straatarm en niemand wilde voor zijn lol in de Jordaan wonen

‘Zelden zal zich de legende zo stevig hebben meester gemaakt van zomaar een buurt in zomaar een stad.’ Wat in 1962 gold, geldt nu nog steeds. De legende is dat de Jordaan dé mooiste volksbuurt was/is van Amsterdam. Iedereen zingt, iedereen is vrolijk, iedereen is spontaan. De meest Amsterdamse buurt die er maar bestaat! Een legende die min of meer nog steeds bestaat.

Hoewel iedereen nu wel weet dat de Jordaan vooral bewoond wordt door yuppen, en er niemand meer spontaan in zingen uitbarst (men zou meteen de politie bellen). En in 1962 was de Jordaan een buurt om tijdelijk te wonen en snel te vertrekken als je de kans had.

Stel je de pechvogel voor die daadwerkelijk in de Jordaan moest wonen! ‘Een eenkamerwoning wordt graag geruild tegen een flatje in nieuw-West.’ ‘Vaak ook wordt een leeggekomen woning bezet door een gezin, dat echter sociaal gezien duidelijk minder is dan de vertrokken bewoners. In de Jordaan spreekt men nogal minachtend over ‘import’.’

Roodnat beschrijft hoe ‘scharrelscheepjes’, dus illegale woonboten, getolereerd werden in de stad maar waarvan bij problemen (zinken, brand) de bewoners in de Jordaan gedumpt werden. Een sfeer van a-socialiteit ontstaat. Het bevolkingsaantal is van bijna 65.000 omstreeks 1910 tot minder dan de helft teruggelopen [in 1962].’ Schoolprestaties liggen ver onder het gemiddelde van de stad.

In de Jordaan doen ze in 1962 ‘werk, dat nu eenmaal gedaan moet worden, maar dat zwaar, monotoon en vreugdeloos is: de sjouwers- en zwoegers-karweien in matrassen-, tandpasta- en jeneverfabrieken, het grondwerk op bouwplaatsen, werk in pakhuizen, magazijnen, in de haven.’

Het leven was akelig volgens Roodnat. ‘Bijna tweeduizend van de huizen bestaan uit eenkamerwoningen, ruim drieduizend gezinnen moeten het met twee kamertjes doen. Tachtig procent van de huizen heeft géén badgelegenheid.’ Bekijk anders de video hieronder.

Ondanks de legende is het er niet gezellig. ‘De Jordaan ligt vrij dicht bij het Centraal Station, de huizen zijn er goedkoop, er hangt een sfeer van verval.’ Dat levert ook sociale hulpverlening op – maar die is niet altijd belangenloos: ‘Allerlei liefdadige instellingen besprongen de Jordaan, waar de wilden verzorgd en gekerstend dienden te worden.’ Frappant in dat opzicht is dat juist de Communistische Partij in deze buurt lang de grootste partij is. Roodnat: ‘De mensen in die kerk moeten voor een belangrijk deel uit communisten hebben bestaan.’

Afgezien van alle drukte, asocialiteit, ziektes en nachtelijke onrust, zou je in het Jordaan van 1962 ook hoorndol worden van de vele duiven. ‘Duiven en andere huisdieren verschaffen de mensen in een enge buurt en in bedompte kleine woningen wat gezelligheid, ze brengen de armoe wat plezier in huis.’

2. Het Amsterdamse nachtleven van 1962 was vunziger en rauwer

Bas Roodnat beschrijft het nachtelijke leven in Amsterdam-Centrum via een beproefd documentaire methode: je schetst een doorsnee nacht, met tijden en al. Het begint om een uur als de daklozen zich begeven naar de rieten stoelen van het (nog steeds bestaande) Noord- en Zuid-Hollandse Koffiehuis. Ook de prostitutie begint – of beter gezegd: gaat verder. Dit hoofdstuk is een van de beste uit het boekje.

‘Enkele huizen in de buurt zijn van het etmaal een uur of achttien in gebruik: ‘s morgens, ‘s middags, ‘s avonds en ‘s nachts door verschillende vrouwen. De honderd meter verderop beginnende fatsoenlijke maatschappij veracht het wereldje op en rondom de wallen, maar maakt tegelijerktijd zo druk gebruik van de daar geboden diensten. (…) Op het Damrak en vooral in de Leidsestraat lijken de nachtvlinders aan gymnastiek te doen: als er een auto aankomt, zakken zij bliksemsnel door de knieën en kijken naar binnen. Heel veel auto’s kruipen in een skakkegang over de weg.’

Wat opvalt: prostitutie was in 1962 veel gewoner in het straatbeeld dan je je nu nog kunt voorstellen. ‘Ook de prostitutie is een wereldje van rangen en standen. Onderaan de ladder de bejaarde tippelaarsters, die ergens bij de wallen, de Spuistraat, het Singel een raamloos hok boven aan de steile trap hebben gehuurd, op de bovenste sporten de in vele opzichten durenvrouwen met hun flat in Zuid. Daartussenin de animeermeisjes in kroegen en bars. (…) Daartussenin ook de vrouwen die ‘s nachts Rokin, Damrak, Spui, Leidsestraat en Rembrandtplein bewandelen. Zij achten zich mijlen verheven boven de raamzitters van het Singel, de Spuistraat die op hun beurt weer neerkijken op de wallen, waar ‘je je immers alles moet laten welgevallen’.’

Ilustratie van Wim Bijmoer © De Bezige Bij 1960

Roodnat vertelt een mooi verhaal hoe om half twee een rechercheur een hotelhouder betrapt, die het hotel gebruikt als peesplek. Rond twee uur sluiten cafés en beginnen vechtpartijen tussen beschonken caféverlaters. ‘Op de Zeedijk raken twee jongens slaags om niets.’ En later op het Thorbeckeplein: ‘Als de politie arriveert, ligt er een grote man op de stenen: dubbele beenbreuk, vernield gezicht.’

Georganiseerde misdaad tiert hier ook al welig, hetzij op een veel lokaler niveau: ‘Er wordt gezegd, dat een ploeg heel sterke jongens sommige cafés hun ‘bescherming’ opdringt. Daarvoor moet natuurlijk betaald worden. Er wordt ook gezegd dat geweigerde bescherming uit de grond gerukte toonbanken tot gevolg kan hebben.’ De politie lijkt er in 1962 niet veel grip op te hebben: ‘Zeker is dat er een terreurgroep bestaat van geschoolde café-vechters, die nimmer werken en toch in staat zijn op warme zomerdagen in lage, open auto’s naar Zandvoort te rijden.’

Om half drie bezoekt Roodnat een nachtclub. Hun winstconcept is tijdloos en werkte in 1962 hetzelfde als in het heden, maar met andere drankjes en een andere munteenheid. ‘Hij bestelt een jonge klare en voor de dames ieder een likeur. Het eerste rondje kost 9 gulden 50. (…) Je kan een fles wijn bestellen. Die kost vijftig gulden.’

Sommige dingen veranderen nooit in Amsterdam: ‘In de stille Warmoesstraat geeft iemand voor het open raam van een hotel luidruchtig over.’ Een ander beeld van Roodnat blijft juist heel erg in 1962 hangen: ‘Op de hoek van Thorbecke- en Rembrandtsplein wordt een lange, gebrilde jongen aangesproken door een gezette man in aan bruin pak en een goedig gezicht: ‘Trek in een borreltje met een paar leuke vrouwtjes?’ De jongen stemt toe. In een zeegroene chevrolet glijden ze weg.’

3. Het was anders: live muziek bij film en nozems

Sommige dingen in Amsterdam van 1962 zijn echt in die tijd gebleven.

Ik las over een drenkelingenhaak, die vroeger bij brugleuningen hing. De politie viste er dronken grachtenvallers uit het water mee op. Bij mijn weten bestaat dat niet meer, hoewel de brandweer in 2018 in Amsterdam 131 keer moest uitrukken om een drenkeling te redden.

Ilustratie van Wim Bijmoer © De Bezige Bij 1960

Ook eigenaardig is het verhaal over een bioscooporgelspeler bij bioscoop Royal, waar het publiek ook meezong met films. ‘Dat gebeurt (…) aan de hand van op het doek geprojecteerde teksten. Teksten in vier talen. In het begin werden die teksten fonetisch geprojecteerd. Dat ging dan zo: ‘Bai, bai, leuv, bai, bai, heppines’ en zo: ‘Wen ai was sjust u litttel gurl, ai eskd mai mudder wot wil ai bie, wil ai bie hendzum, wil ai bie ritsj.”

De organist vertelt deze anekdote aan Roodnat: ‘Het stond met grote letters op het doek, een krankzinnig gezicht, maar het klonk werkelijk goed.’ Later: ‘Als ze me toeroepen: ‘Hé, kale, dat was weer tof,’ dan bedoelen ze echt een compliment.’

De nozem (ooit zelfs ‘swing-nozem’, ging over jongeren die jazz aan het dansen waren) is ook geparkeerd in de geschiedenis. ‘Overal in de stad, tot ver in West, en Zuid toe, vormen cafetaria’s en patates frites zaken hun bases. Nozems zijn graag bereid tot een vechtpartij, waarbij zij hun judo-tricks kunnen gebruiken.’

Politie moest vaak opgeschoten jongens hardhandig verwijderen. Maar een deel van de nozemcultuur laat zien dat het in feite ook een tijdloze cultuur is van herrieschoppende jongeren, die je tegenkomt bij hooligans, criminelen, enzovoort: ‘Nozems willen zich nogal eens in voldragen ‘gangs’ verenigen. (…) Er is al gauw sprake van waarachtige inbraken en berovingen, vaak onder leiding van of in samenwerking met de echte onderwereld.’

4. Het was soms min of meer hetzelfde: kunst en homoseksualiteit

Het waren jaren, zo schrijft Bas Roodnat, dat het Parijse café-existentialisme naar Amsterdam overwaaide. ‘Er was een explosie van bizarre figuren en figuurtjes.’ ”Een modernist’, werd op zo’n bijeenkomst gezegd, ‘moest moderne ideeën hebben over van alles en nog wat.’

Een portret vam kunstenaar Remco: ‘Hij ging gekleed in bijvoorbeeld een roodgestreept hemd en een blauw-ribfluwelen broek. Hij had een dun blond baardje en droeg ook ‘s avonds een zonnebril. Hij wilde niet bij de massa horen en daarvoor trotseerde hij de honderden schampere opmerkingen, die hij dagelijks over zijn bizarre verschijning te horen kreeg.’

Ilustratie van Wim Bijmoer © De Bezige Bij 1960

Of de dichtende Victor: ‘Ik schrijf nu al acht jaar lang. Gedichten, die eerste experimenteel waren, maar nu niet meer. (…) Ik heb in die acht jaar misschien wel honderd baantjes gehad.’ Wat zou er van hem terecht zijn gekomen?

In 1962 had men nog te maken met de naweeën van de revolutie van CoBrA en de Vijftigers. Hoewel die overal en nergens woonden, niet per se allemaal in Amsterdam. Lucebert, Kouwenaar, Campert, Schierbeek, Rodenko, Claus: een gouden generatie van schrijvers. Maar in 1962 toch wel wat op zijn retour – en dat zijn dingen die je wel eens vergeet als je kijkt met een blik van zestig jaar later. ‘De haveloze Amsterdamse jongens uit de jaren ’45-’50 zijn maatschappelijk goed terechtgekomen lieden geworden.’ (Gastartikel trouwens van journalist Han Lammers, die later wethouder zou worden.)

Ook de mode-experts komen aan het woord in dit boek, zoals het duo Dick Holthaus (creatief) en Arnold Dieperveen (zakelijk). ‘De inspiratie heeft hij opgedaan bij Van Dijk in Loosdrecht, waar die kinderne rock en rollen. Avonden zit hij er. Hij geniet ervan, uren achter elkaar naar ze te kijken. Hij vindt wel dat ze de wijde rokken een beetje te veel overdrijven.’ En Ferry Offerman: ‘Het meest houd ik van een sportieve, elegante vrouw. Dat vind ik zeer chic. Een vrouw die haar hoed met veren heeft getooid en zich volgehangen heeft met sieraden, toont alleen dat zij geld heeft; van haar persoonlijkheid is niets meer over.’

Al in 1962 bezochten veel homoseksuelen uit het buitenland Amsterdam vanwege het liberale klimaat. Zelfs binnen Nederland. De COC, die nog steeds bestaat, had een andere rol (meer uitleggen wat homoseksualiteit eigenlijk is), maar Roodnat schrijft: ‘In het normale sociale verkeer wordt de homo er net zo hartelijk of onhartelijk bejegend als de hetero.’

5. Grote bouwplannen waren net zo gewoon in 1962

Grote bouwplannen waren er ook al in 1962. Denk bijvoorbeeld aan de discussie over de bouw van een nieuw stadhuis. ‘Amsterdam verlangt dan ook vurig naar een nieuw, een echt stadhuis.’ Dat zeggen ze al in 1962, hoewel de Stopera pas in 1986 werd voltooid.

En de stad staat ook voor een saneringsperiode. ‘En Amsterdam wil van die armoewijken op de eilanden, in de Jordaan, de Pijp, de Staatslieden- en Dapperbuurt af. Die moeten op den duur tegen de grond, om plaats te maken voor neiuwe woningen en voor een tweede city. Jazeker, gewoon een tweede centrum, waar grote kantoorgebouwen en andere zakenpanden zullen verrijzen.’

De tweede city is er (gelukkig) niet gekomen en nu betalen mensen ongelooflijke bedragen om in bovenstaande buurten te wonen. Grote bouwplannen zijn van alle tijden in Amsterdam: Bijlmermeer en IJburg natuurlijk, maar ook nu zijn buurten in ontwikkeling: de Hamerbuurt, de Sluisbuurt, het Amstelkwartier en de Haven-Stad.

6. Kortom: bewaar soms een boek

De koek van dit boekje is daarmee nog niet op. Een hoofdstuk over de Raad van de Scheepsraad in de Beurs van Berlage, over de misdaad in Amsterdam (‘Zoals gezegd, de penoza is een groep, die onder leiding staat van een paar krachtfiguren, die de buurt beheersen’), over cabaret (‘Het Amsterdamse publiek is spontaner dan elders’) en over seksblaadjes (‘Er kan alleen een tweede nummer zijn, als de politie geen aanleiding zag om het eerste te verbieden’).

Ja, genoeg boeken over Amsterdam. Waarom dan niet eens stilstaan bij dit boekje dat ik bijna naar de kringloop had gebracht. En wat een plezier gaf het alsnog! De geheimen die erin staan, klaar om te ontdekt te worden, is wat lezen zo leuk maakt.

Zelf vind ik dat we met een te politieke en historische bril naar het verleden kijken. De jaren zestig gaan altijd over het rebelse, het anarchistische van provo enz. Alsof er helemaal geen andere mensen in Amsterdam rondliepen. We vergeten het gewone, dagelijkse maar al te vaak, en dat lees je wel in dit boek terug. De ellende is dat je weet dat mensen in de toekomst dat ook zullen doen met onze tijd.

Het zou mooi zijn als het boek nog eens een mooie re-issue krijgt die recht doet aan deze best vermakelijke teksten van Bas Roodnat, en de mooie tekeningen van Wim BIjmoer.

Leestips