‘Het is logisch dat je een eigen smaak en voorkeur hebt’

Interview met Yasmijn Jarram, curator bij GEM

Yasmijn Jarram is sinds augustus 2018 de nieuwe curator voor GEM. We spreken over het vak, Helen Dowling (haar eerste soloshow voor GEM) en de hobbels die soms overwonnen moeten worden.

(Dit interview is eerder in het Engels op het kunstblog Jegens en Tevens gepubliceerd.) 9 februari 2018 / 1275 woorden / 16,7 minuten leestijd.

Vrijdagmiddag en grote drukte in Gember, het restaurant van GEM. Er is amper een tafeltje vrij om te gaan zitten voor het interview. ‘Het Erwin Olaf effect!’ zegt Yasmijn Jarram. De expositie van Erwin Olaf loopt nog tot 16 juni maar we willen het natuurlijk vooral hebben over Stranger in Display, de solotentoonstelling van Helen Dowling in GEM, het andere museale zusje in het gebouw naast het Gemeentemuseum. Die show is de eerste door haar zelf gecureerde show in GEM.

Een groot succes zo te zien. Komen die mensen ook voor Helen Dowling?

Dat is lastig bij te houden. Als je een kaartje koopt, is dat zowel voor Fotomuseum als GEM. Ik zie wel dat mensen die bij Erwin Olaf naar binnen lopen, ook wel bij GEM naar binnen lopen. Ik zie ook dat er mensen voor Helen Dowling komen en dan naar Erwin Olaf lopen.

Praat je wel eens met de bezoekers om hun reacties te peilen?

Als ik op de zaal een rondje loop, hoor ik soms wel iets en kan ik daar op reageren. Er ligt bijvoorbeeld een matras in de ruimte. De meeste mensen hebben wel door dat je daar kunt zitten. Daarstraks was ik er toen een vrouw met twee kleine jongetjes binnenkwam. Die renden meteen naar het matras waarop de vrouw ‘Nee, nee, nee!’ riep, maar ik zei: ‘Je mag er gewoon gaan zitten.’

© Marleen Sleeuwits / Helen Dowling, Stranger on Display, GEM, 2019

Kunst schept verwarring!

Wat ik ook merk is dat als mensen niet weten wat er te doen is, ze die deur opendoen, zien dat het donker is, dat ze dan meteen weer weggaan. Maar goed, het is ook wel het idee dat je overweldigd wordt door de vloer en een andere wereld. Je hebt er een beetje durf voor nodig.

Wat mij vooral opviel is de radicale keuze om de kunst zo optimaal mogelijk uit te laten komen ten opzichte van de ruimte.

Het is voor mijzelf ook nieuw om met deze ruimte te werken. Dit is een leuke manier om de ruimte te leren kennen, te kijken wat je er allemaal mee kunt doen. Fotomuseum en GEM zijn in 2016 van ruimte gewisseld, dat hoor ik ook nog regelmatig, dat het jammer is dat GEM kleiner is geworden. Ik vind het juist boeiend dat je deze ruimte naar je hand móet zetten. En zelf een wereld kunt inrichten.

Ik kan me toch voorstellen dat je denkt: had ik maar de ruimte die mijn voorgangers hadden.

Dat denk ik oprecht niet! Het waren ook een ander soort tentoonstellingen, meer museale tentoonstellingen die je misschien ook in het Gemeentemuseum had kunnen zien. De functie van GEM is juist om het meer ’edgy’ zusje van het Gemeentemuseum te zijn. Het is daarom belangrijk dat GEM een eigen publiek opbouwt. Het is nu twaalf jaar geleden dat voormalig curator Roel Arkesteijn is weggegaan. Toch hebben mensen in Den Haag het nog steeds over het GEM van die beginjaren. Een boegbeeld hoef ik niet te zijn, want het gaat niet om mij, maar het is belangrijk om een gevoel en gezicht te krijgen bij een tentoonstellingsruimte.

En dat heb je uitgewerkt voor de Helen Dowling-tentoonstelling?

Voor mijn eerste tentoonstelling in het GEM wilde ik dan ook iets radicaals doen, iets wat hier nog niet eerder te zien is geweest. Ook om aan te geven dat er een nieuwe wind waait en dat er experimenteler dingen te zien zijn. Videokunst is bijvoorbeeld nog niet veel aan bod gekomen.

Hoe kwam Helen Dowling in beeld?

Ik had eerder met Helen gewerkt voor een groepstentoonstelling in de Garage in Rotterdam. Ik was op zoek naar een kunstenaar bij wie ik me kon voorstellen dat het een sferisch geheel zou worden. Ik kwam snel uit bij Helen. Ze was een nieuwe richting opgegaan die ik nog interessanter vond. We gingen samen nadenken. Ik zei: ik wil de ruimte als een groot terrein behandelen. Dat zag zij ook zitten. We waren het snel over eens dat we iets met de vloer moesten doen. Je denkt dan aan een vloerbedekking. Op een of andere manier konden we niet kiezen welke kleur of welk materiaal. Ik had Helen al een keer een plaatje laten zien van Sophie Jung in kunstmuseum Basel. Zij had daar een zilveren spiegelvloer. Dat vond ik er spannend uitzien. Weken later zei Helen opeens: Wat denk je van een zwarte spiegelvloer? Toen viel alles op zijn plek. De vloer is een volwaardig onderdeel van de tentoonstelling. Omdat het zo’n belangrijke visuele rol speelt, konden we daardoor ook makkelijker knopen doorhakken over andere zaken. Dan kun je lekker puzzelen.

© Marleen Sleeuwits / Helen Dowling, Stranger on Display, GEM, 2019

Vroeger deed je meer groepstentoonstellingen. Hoe bevalt het je om een keer de diepte in te gaan met een kunstenaar?

Voor onder meer Garage en Nest heb ik inderdaad groepstentoonstellingen gemaakt. Daarvoor zat ik bij 21rozendaal in Enschede – daar maakte ik ook solo’s. Bij groepstentoonstellingen heb je een totaalconcept als uitgangspunt. Daar komen de kunstenaars deels uit voort. Je hebt vaak dat ene werk in gedachten wat erbij zou passen. Dat wil niet zeggen dat groepstentoonstellingen oppervlakkiger zijn. Het is een andere manier van werken. Een ander verschil is dat bij een groepstentoonstelling de curator een belangrijke stem heeft. Dan wordt het meer een tentoonstelling van mij. De laatste tentoonstelling bij Garage heb ik bijvoorbeeld geïnspireerd op een liedje van Radiohead. Dat is persoonlijk en intuïtief. Nu – ook omdat het een museum is en je vanuit een instituut werkt – gaat het veel minder over mij maar meer over de kunstenaar. Dat bevalt me beter.

Voel je meer druk nu je bij een museum zit in plaats van bij een kleinere kunstruimte?

Gek genoeg is het andersom voor mij. Nu kijk ik naar samenhang en een langere lijn, vanuit een blijvende positie. Als freelancer werkte ik voor afzonderlijke plekken en had ik meer het gevoel dat ik het een na het andere grote gebaar moest maken. Dat voelde alsof je steeds iets nieuws moest verzinnen. Nu ligt het veel meer in elkaars verlengde en kun je ook wel eens een idee laten rijpen en denken: dat kan over twee jaar nog. Al mijn ideeën concentreren zich nu binnen één programma.

How to disappear completely, Garage Rotterdam, 2017 (v.l.n.r. Joan van Barneveld, Sarah van Sonsbeeck, Constant Dullaart, Kim Habers, Teo Treloar, Lydia Ourahmane) (Foto © Bas Czerwinski)

Ik kan me voorstellen dat je al een verlanglijst van kunstenaars hebt en projecten die je op die lange termijn wilt creëren.

Het is logisch dat je een eigen smaak en voorkeur hebt. Het mag beginnen vanuit mijn eigen nieuwsgierigheid en fascinatie maar het moet tegelijkertijd voor een heleboel mensen interessant zijn. Er moet ook genoeg afwisseling zitten in het programma. Ik kan niet snel drie keer achter elkaar iemand met vergelijkbaar werk uitnodigen.

Kun je al een tipje van de sluier oplichten waar volgende projecten over gaan?

De volgende tentoonstelling gaat over de in 2011 overleden Krijn Griezen. Hij heeft veel gedaan in Den Haag. De trap in de beeldentuin van het Kroller-Müller Museum kennen veel mensen wel. Hier bestond al lang de wens om iets met Krijn Griezen te doen. Ik vond veel links met zaken die je nu ook ziet in de kunst: hergebruik, terugkeer naar ambacht, een wat meer conceptuele benadering. Krijn Griezen is het vertrekpunt van de tentoonstelling. Die wordt aangevuld met werk van vier jonge kunstenaars, die er een vergelijkbare mentaliteit op na houden. Het boeiende is om te laten zien dat het nu niet losstaat van toen en dat dingen weer terugkomen. Dus toch weer een groepstentoonstelling! (lacht) Wel met een andere insteek. Omdat het niet thematisch is maar gaat om een houding in het werk. De vier kunstenaars zijn Chaim van Luit, Bram de Jonghe, Paul Geelen en Sema Bekirovic.

Door jou persoonlijk gekozen?

Ja, op hoe ze Krijn Griezen aanvullen. Ze hebben nog niet eerder samen geëxposeerd maar voelden onderling al een soort verwantschap. Er zijn veel toevalligheden waar je door gesprekken achter komt. Dan denk je: zie je, het klopt. Tentoonstellingen ontstaan voor een deel organisch.

Hoe valt een kunstenaar bij jou in de smaak? Kun je daar iets over zeggen?

Over het algemeen voel ik me wel aangetrokken tot kunstenaars die zich duidelijk verhouden tot de tijd waarin we leven, maar wel op een persoonlijke manier. Dat persoonlijke vind ik heel belangrijk. Het hoeft niet autobiografisch te zijn. Wel dat het iets grilligs heeft, iets eigens, wat nieuwe perspectieven geeft. Eigenlijk bedoel ik de tijd waarin we leven wat genuanceerder: het kan ook over langer geleden gaan. Ik hou er wel van dat kunstenaars in de wereld staan.

Dus… maatschappijkritisch?

Er zit vaak een sociale component in maar het mag wel humor hebben – of gek zijn. Ik voel me niet zo aangetrokken tot onderzoeksgebaseerd werk, of heel zwaar politiek werk. En soms vind ik een werk wel goed maar heb ik er zelf niet zo heel veel mee. Ik vind het wel fijn als je een handschrift voelt. Subculturen: ook boeiend. En ik hou ook van raakvlakken met andere disciplines, zoals muziek, literatuur.

Je had het net over jonge kunstenaars. Hoe zit het met kunstenaars die 50+ zijn? Heb je die ook nog op je netvlies?

Zeker. Toevallig is de tentoonstelling na ‘Een ongewone wandeling’ de eerste Nederlandse museumsolo van de Britse kunstenaar Emma Talbot, geboren in 1969. Ik wil zowel jongere kunstenaars een eerste groot podium geven alsen gevestigde kunstenaars die we hier nog niet goed kennen in Nederland introduceren.

Filmfestivals plannen hun festivals zodanig dat ze elkaar niet voor de voeten lopen. Hoe werkt dat met musea en hun kunstenaars?

GEM heet ‘museum voor actuele kunst’. Strikt gezien is dit het enige exclusief hedendaagse kunstmuseum. Andere musea die aandacht besteden aan hedendaagse kunst doen het dat onder een bredere vlag. Het bijzondere is dat GEM wel binnen een museale structuur functioneert maar zich tegelijkertijd gedraagt als een soort project space. Het is een beetje een tussengebied dat er verder niet is in Nederland.

© Marleen Sleeuwits / Helen Dowling, Stranger on Display, GEM, 2019

Helen Dowling kan nu niet meer in de Kunsthal komen.

Dat zal inderdaad niet snel gebeuren, en andersom ook. Als nu iemand een solo-expositie heeft in het Stedelijk Museum, is het minder interessant dat hier opnieuw te doen.

Heb je ook nog tijd in je werk om in plaatsen als Maastricht en Groningen kunstenaars te bekijken?

Ik moet er tijd voor vrijmaken, maar dat doe ik graag. Soms vind je een kunstenaar potentieel interessant. Dan kun even goed naar het werk kijken. Het is een combinatie van drie dingen waar ik aan denk: mijn eigen nieuwsgierigheid, omdat ik denk dat je kunt zien dat een tentoonstelling met energie en plezier is gemaakt, ten tweede dat het iets toevoegt aan wat er al te zien is in Nederland, en ten derde ook praktisch: zou het geschikt zijn voor de ruimte van GEM?

Hoe kijk je eigenlijk als curator naar Nederlandse kunst?

Nederlandse kunst bezie ik vanuit een internationale blik. Ze moeten zich wel internationaal kunnen handhaven. De traditie van kunstenaarsinitiatieven is volgens mij erg Nederlands. Dat zie je ook in Den Haag met nieuwe ruimtes, zoals Trixie, die vanuit de Academie voortkomen. Dat heb je in het buitenland ook wel, maar ik denk dat Nederland daar wel heel goed in is, dat soort eigengereide, anarchistische plekken. Ook wel een bepaalde nuchterheid: kom, we gaan het gewoon zelf doen.

En heb je als curator ook contact met de nieuwe lichting kunstenaars, studenten?

Zeker, dat vind ik heel belangrijk. De opening met Helen Dowling was best druk, ook met studenten van de academie. Ik heb veel contact met de academie omdat ik het jammer vind dat de studenten die er nu studeren zelfs GEM niet altijd meer kennen. Ze gaan wel, terecht, naar openingen van Nest en 1646, maar ze moeten hier natuurlijk ook komen. Ik merk ook dat de andere kunstinstellingen blij zijn dat er weer wat met GEM gebeurt.

Zijn er al studenten geweest die subtiel lieten weten dat ze ook wel geëxposeerd willen worden?

Ze zijn wel heel nieuwsgierig! Het duurt even voor ze die vraag stellen maar als ze dat eenmaal doen volgt er een vragenvuur van: hoe gaat het dan, hoe kies je iemand. Er was laatst ook een projectweek op de academie. Mensen uit het veld waren uitgenodigd. Ik was er en afgevaardigden van Art Rotterdam, De Galerie, Billytown, Stroom. Dat was bedoeld voor tweedejaars. Een soort reality check van wat ze weten en hoe ondoorzichtig het allemaal overkomt. Terwijl het niet zo hoeft te zijn. Ik neem graag het enigma een beetje weg.

Tot slot: je bent zelf dochter van een kunstenaar. Is dat nog een voordeel in je werk als curator?

Ik kan me voorstellen – hoewel ik niet weet of dat anders ook zo zou zijn geweest – dat ik een realistisch beeld heb van het kunstenaarschap. Mijn partner is ook kunstenaar, dat maakt ik ook dagelijks mee. Er zijn ook curatoren die een specifieke opleiding hebben gedaan – die weten: ik wil curator worden. Dat heb ik nooit zo gehad. Schrijven was bij mij een constante. Het curatorschap is er organisch bijgekomen.

Dit interview kwam tot stand in verband met de Invest Week 2019 van Stroom.