Indipendenza geeft om de maand aandacht aan bijzondere literatuur die in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Deze keer: St. Lawrence Blues van Marie-Claire Blais (Bruna, 1976).
1546 woorden / 8 minuten leestijd / Thema’s: komische roman, Québec, literatuur
Wie was Marie-Claire Blais?
Marie-Claire Blais werd in 1939 geboren en ging naar een nonnenschool. Ze had de intelligentie om te gaan studeren maar ging toch met vijftien eerst een paar jaar werken. Later ging ze toch studeren, aan de universiteit van Laval, en docenten stimuleerden haar om te gaan schrijven. Wat ze ook deed: ze debuteerde met twintig met de roman La Belle Bête (Mad Shadows).
La Belle Bête is een van haar bekendste boeken. Het beschrijft de lotgevallen van een familie. Het boek viel op door de vrij extreme gebeurtenissen, zoals haar hele oeuvre volstaat met extreme situaties. In haar overlijdensbericht schreef The Washington Post (vertaling via DeepL):
Haar romans – ze schreef ook toneelstukken, radiodrama’s, televisiescripts en poëzie – waren gevuld met mishandelende priesters, eigenzinnige nonnen, analfabete boeren en delinquente kinderen, en hielden zich bezig met kwesties als blanke suprematie, AIDS en nucleaire oorlog. Dieren werden gemarteld, er vloeide bloed; in haar eerste boek duwt een jonge vrouw het hoofd van haar broer in een pot kokend water voordat ze hun huis afbrandt.
Haar bekendere generatiegenoot Margaret Atwood las de schokkende inhoud van La Belle Bête met een mengeling van aversie en bewondering, zoals valt te lezen in een artikel in The New Yorker (vertaling via DeepL):
Het boek maakte me erg ongemakkelijk, om meer dan de voor de hand liggende redenen: het geweld, de moorden, de suggesties van incest en de hallucinerende intensiteit van het schrijven waren in die tijd zeldzaam in de Canadese literatuur. Maar nog griezeliger was de gedachte dat deze bloedstollende fantasie, evenals haar vroegrijpe verbale vaardigheid, het product waren van een meisje van 19. Ik was zelf 19, en met zo’n voorbeeld voor me voelde ik me al een laatbloeier.
In die periode (1967) gaf Blais onderstaand (Franstalige) interview aan een Canadese publieke omroep, waarin ze uitvoerig ingaat op haar werk en haar leven.
Het bleef niet bij een knaller van een debuutroman. Ze bleef schrijven, onderwijl nogal eens verhuizend. Naar Parijs, de VS (Massachusets), Bretagne en in 1975 weer terug naar Québec. Maar ook toen ging ze regelmatig van Montréal naar Florida. Sommige boeken werden verfilmd en haar debuutroman werd zelfs in een balletvoorstelling veranderd.
Dat kwam nog meer naar boven in de tiendelige ‘stream-of-conciousness’ stijl romanserie over de plaats Key West in Florida: Soifs. De serie begon in 1995 en zou eindigen in 2018. Er zitten veel kleurrijke karakters in – kunstenaars, schrijvers, journalisten, dragqueens. Veel ervan zijn gebaseerd op echte mensen die ze daar in een community ontmoette.
Het lijden van karakters – vaak in een ironische stijl beschreven – was haar kenmerk. En haar schrijfstijl is vlot en soms wat grof. Daarom kun je haar misschien een ‘duisterluchtig’ schrijfster noemen.
Zelf vond ze zich geen ‘duister’ persoon (vertaling via DeepL):
Persoonlijk hou ik niet van lijden. Ik geef de voorkeur aan sereniteit. Ik ben helemaal geen duister persoon. (…) Het is gewoon dat zoveel van mijn vrienden een aanleg lijken te hebben voor lijden.
Blais behoorde tot een groep Québecoise schrijvers die (misschien door de drempel van de Franse taal) minder bekend zijn gebleven in Nederland.
Essayist Jaap Linvelt schreef in 1988:
De moderne Franstalige Canadese roman kent voortreffelijke auteurs zoals Antonine Maillet, Marie-Claire Blais, Anne Hébert, Hubert Aquin, Jacques Godbout en Réjean Ducharme, die ook buiten Canada zeer gewaardeerd worden en in Frankrijk gehonoreerd zijn met prestigieuse literaire prijzen. Toch is deze literatuur in Nederland nog vrij onbekend gebleven, mede doordat vertalingen tot voor kort ontbraken.
Blais was de partner van de schrijfster en kunstenaar Mary Meigs tot Meigs overlijden in 2002. Ze overleed zelf in november 2021 in haar woonplaats Key West.
Waar gaat St. Lawrence Blues over?
Dit boek (originele titel: Un Joualonais, sa Joualonie) verscheen in 1973. Het werd een paar jaar later vertaald als St. Lawrence Blues – ook de Engelstalige titel – door Benjo Maso. Hij is een socioloog die veel schreef over wielrennen (Het zweet der Goden (1990), Wij waren allemaal Goden (2003), Nederland heeft weer de gele trui (2019)). Maar hij vertaalde ook boeken, zoals deze roman.
Het boek gaat over Abraham Lemieux, alias Ti-pit, een jongen die net uit de jeugdgevangenis komt. Hij is bevriend met Ti-cul, die hardop droomt over het plegen van een moord; Papillon, een dichter gespecialiseerd in het Franstalige Canadees (Joualonais); pensionhoudster Mme. Fontaine; Mimi, buurman van Ti-pit in het pension en zo nog wat figuren.
Québec (de stad) speelt ook een hoofdrol. We verplaatsen ons van een café naar nachtclub, van straat naar huis. Te voet, per metro, met een Cadillac. Ondertussen gebeurt er van alles. Seks, geweld, gescheld en hier en daar platte humor. Papillon schrijft een verhaal, niet zomaar een maar een pornografische. Mimi heeft seks in de hal van het gebouw. En Ti-pit, de hoofdpersoon, krijgt een baan in een lijkenwagen.
Marie-Claire Blais hield blijkbaar van grofgebekte, extravagante karakters. In dit boek is iedereen flink aan het schelden en beledigen:
Die verdomde ambtenaar dacht blijkbaar dat het geen kwaad kon als je twee of drie dagen lang van de honger verrekte, de klootzak.
‘Godsallemachtig, maar dat is geen doen! Er is me een pak sneeuw op komst!’
‘Hoe vaak heb ik je nu al gezegd dat je in mijn huis niet mag vloeken.’
‘Ja maar ik vloek nooit, Godsamme, ik zweer het.’
‘Je deed het zojuist weer, ongelukkige!’
‘Ik vloek nooit, verdomme, geloof me toch!’
‘Moge Jezus Christus het je vergeven,’ zei hij.
‘Houd je bek, ik word kotsmisselijk van jouw gelul.’
Dat is wel interessant; het is het tegenovergestelde van veel moderne romanschrijvers die met met hun goede smaak niets en niemand meer willen kwetsen.

Wat is er opvallend aan de stijl van Marie-Claire Blais?
Wat opvalt, is het hoge tempo, de vele karakters en de hoeveelheid dialogen tussen die karakters. Het boek zou ook makkelijk vertoneelstukt kunnen worden.
Je hoort vaak dat dialogen ‘makkelijk’ zijn maar ik ben het er niet mee eens, niet is zo moeilijk als een levensechte dialoog schrijven. Marie-Claire Blais had hier duidelijk talent voor, ze schetst karakters aan de hand van wat ze zeggen, zoals dit portret van de zelfbenoemde ‘nymfomane’ (en zwangere) Lison:
‘Zie je wel, liefde vind je overal, ze neuken met duizenden in Montréal, overal, van hoog tot laag!`’ zei Lison.
Of Prunier de taxichauffeur:
‘Soms krijg je zelfs ambassadeurs of bisschoppen in je kar, nou moet je niet denken dat ik op zichzelf mijn pet zo op heb van die lui, maar wanneer het op fooien aankomt hebben ze hun waardigheid op te houden, begrijp je?’
Er zijn meer mooie zinnen in deze roman:
Ik ben anders dan anderen. Ik heb nooit iets geleerd, maar ik loop woorden op alsof het een ziekte is. Als ik tegen mezelf heb, spreek ik vaak zoals ontwikkelde lui dat doen, maar dat is mijn geheim, blijkbaar houden woorden je op been als je niemand hebt.
‘Je haalt je muizenissen in je hoofd, Lemieux, wij banen ons een weg via de ondergrondse zijlijn van onze schitterende metro. Jezus, ik heb voor die metro moeten betalen, en ik zal er van profiteren ook, goed, wij slippen dus onder de rokken van Queen Elizabeth weg, nietwaar, broeder, en duiken aan de andere kant van de stad weer op, waar mijn trouwe Cadillac op ons wacht zonder ook maar het minste vlokje sneeuw op haar glanzende koetswerk.’
De week voor Kerstmis is een klotetijd voor een schlemiel die last heeft van eenzaamheid, alle gezinnen kijken vol verwachting naar de avonden uit, maar zelf denk je alleen maar: ‘Christus, waar moet je vanavond nou weer heen, naar het Leger des Heils soms, of direct door naar de lik? (…) Je hebt geen idee, je loopt maar wat, sommige huizen staan zo dichtbij de straat dat je maar een pas zou hoeven doen om bij ze in de kamer te staan, bij de schooljongens die stotterend hun les opzeggen voor ze naar bed gaan, bij grootvader die zijn krant openvouwt, je ziet een soort levende voorstelling met stemmen die tegen je zeggen: ‘Ik-voel-me-zo-prettig-thuis’, ”Ik-voel-me-zo-prettig-thuis’.
Het begin van het boek is wat lastig inkomen en daarna ontmoeten veel karakters elkaar, die vrij grof met elkaar omgaan en seksgericht zijn (mannen en vrouwen). Waarom dat zo is, laat ik bij Marie-Claire Blais. Het kan dus wat lastig zijn om het overzicht te houden. Wat wel prettig is, is dat de dialogen je aandacht erbij houden.
De roman intrigeert – en ik verwacht ook wel wat van haar andere boeken – maar de vertaling is erg gedateerd (vijftig jaar oud intussen). Het kan een stuk vlotter met de spreektaal. Dat zal ook het plezier in het lezen ervan veel goeds doen (of je moet gewoon het origineel lezen natuurlijk). Ik hoop dat er ooit nieuwe vertalingen uitkomen van deze nog steeds vrij onbekende Quebecoise schrijfster, die veel durf, pit en onverwachte humor in haar romans stopte.
Tevreden met het artikel? Steun het werk van Indipendenza met een kopje koffie: