Indipendenza geeft om de maand aandacht aan bijzondere literatuur die in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Deze keer: Feest in Holland van Gérard de Nerval (Uitgeverij Hoogland & van Klaveren, 2000).
1883 woorden / 10 minuten leestijd / Thema’s: literatuur, reizen, negentiende eeuw, Parijs
Wie was Gérard de Nerval?
Gérard de Nerval werd in 1808 geboren als Gérard Labrunie. Zijn vader was arts in de Grande Armée van Napoleon. Zijn moeder ging ook die kant op. Daarom wordt hij opgevoed door zijn oudoom, tot zijn vader terugkeert in 1814. Hij begon al jong met gedichten schrijven en met vijftien had hij zijn eerste dichtbundel af. En ook zijn piepjonge lofrede Napoléon ou la France guerrière, élégies nationales werd uitgegeven.
De Nerval liet er geen gras over groeien. Hij schreef al voor zijn twintigste verhalen en satires. Daarna, dus toen hij maar net twintig was, ging hij Goethe’s Faust vertalen. De reden ligt voor de hand: hij voelde zich ook een romantisch dichter, een zielsgenoot van Goethe. Hij wist niet veel af van Duits maar Goethe vond (volgens Wikipedia) “dat hij nog nooit zo goed is begrepen”. Zie ook deze bron uit 1939 (pagina 351):
Goethe zelf heeft bij de lectuur dezer vertaling een dergelijke ervaring opgedaan die in de ‘Gespräche mit Eckermann’ staat opgeteekend: ‘Im Deutschen sagte er, mag ich den Faust nicht mehr lesen; aber in dieser Französischen Übersetzung wirkt alles wieder frisch, neu und geistreich’.
Hij moest voor notaris studeren op aandringen van zijn vader maar de romantische literatuur bleef hem roepen. In het nawoord van Feest in Holland vertelt vertaler Rosalien van Wissem hoe zijn jonge jaren eruit zagen:
Voor school interesseerde hij zich absoluut niet een hij haalde met de hakken over de sloot het eindexamen. Hij zwierf veel rond, bleef soms nachten weg en sliep dan in een zelf gebouwd hutje op een eilandje in de Seine. Hij wordt als jongeman, maar ook later nog, beheerst door de romantische nationalistische gevoelens, die in de negentiende eeuw opgang maken.
Hij bleef productief. Schreef gedichten over de Julirevolutie van 1830. Een pamflet met de wel heel erg veelzeggende titel Ons vaarwel aan de Kamer van Afgevaardigden van het jaar 1830 oftewel, Rot op oude gevolmachtigden, door Pater Gérard, patriot sinds 1789, oud-geridderde van de inname van de Bastille. En hielp mee aan een libretto van Hector Berlioz.
Hij wil ook bloemlezingen schrijven over de Franse en Duitse dichtkunst. Hij krijgt via via toegang voor alle bibliotheken in Frankrijk. Het worden geen grote successen. Intussen sluit hij zich aan bij diverse schrijverskringen (de ‘Bohème’) en kent Victor Hugo persoonlijk.
Volgende stap: toneelstukken schrijven. Dus maakt hij die in de stijl van Hugo, zoals Le Prince des sots en Lara ou l’expiation. Hij geeft zichzelf de achternaam ‘De Nerval’ naar een landgoed van zijn vader, Le clos Nerval. (Iedereen schrijft ‘Nerval’ als pseudoniem, ik weet niet precies waar dat vandaan komt maar ik wil de hele naam eer aan doen, dus ‘de Nerval’.)

Makkelijk was het niet voor hem om als schrijver geld te verdienen, zegt vertaalster Rosalien van Witsen:
Hij verdiende zijn brood als ghostwriter, bijvoorbeeld voor Alexandre Dumas of Théophile Gautier, en door reisimpressies en recensies van toneel en literatuur voor kranten en tijdschriften te schrijven. Ook probeert Nerval twee toneelstukken te verkopen, wat mislukt (…).
De Nerval beleeft veel. Hij helpt zijn vader bij een cholera-uitbraak. Een actie van de Bohème-groep levert hem een korte gevangenisstraf op. Hij begint met geld van een erfenis een nieuw literair tijdschrift: dat gaat na een nummer failliet. Hij raakt hopeloos verliefd op een actrice (Jenny Colon), maar ze beantwoordt zijn liefde niet.
Reizen blijken een oase van rust in zijn hectische leven. Hij bezoekt België, Duitsland, Zwitserland (met een ontmoeting met componist Fransz Liszt) en Italië, waar hij een boek over schrijft.
In 1832 maakt hij een grote reis naar het Midden-Oosten. Daaruit volgt het boek Reis naar de Oriënt. Essayist Arnold Heumakers schreef erover:
Nerval heeft veel verzonnen en het nodige weggelaten. Om te beginnen maakte hij de reis niet in zijn eentje, maar samen met Joseph de Fonfride, over wie verder helaas vrijwel niets bekend is. Ook heeft hij in zijn boek twee afzonderlijke reizen gecombineerd, want de trip naar Wenen die in de inleiding wordt opgevoerd als de start van de Oriënt-reis, vond in werkelijkheid een paar jaar eerder plaats. In 1843 reisde Nerval niet via Wenen, Triëst en Griekenland naar Egypte, hij nam de boot in Marseille.
Toch is het wel de moeite waard volgens Heumakers:
(…) Dat maakt deze Reis naar de Oriënt tot een onvoorspelbare, nog altijd hoogst aantrekkelijke combinatie van levendig reisverslag vol kleurrijke details en persoonlijke zoektocht naar de bronnen van kunst, religie en beschaving.
Rond 1841 krijgt hij psychologische problemen. Een paar jaar later reist hij naar de Lage Landen (waarover zo meer). Hij is steeds vaker zoek, merkt vertaalster Rosalien van Witsen op:
Terug in Parijs, blijft hij zwerven, zoals blijkt uit brieven van en een vrienden die niet weten waar hij is.
Hij heeft steeds minder geld en wisselt perioden van depressie af met schrijfdrang. Rond 1853 schrijft hij op advies van zijn dokter Les Filles du feu en Aurélia ou le rêve et la vie, twee romantische werken die nu ook nog wel worden gelezen.
In 1855 pleegt hij zelfmoord – hij was pas 47 jaar oud. De schrijver M. Stevense schreef in 1947 in een fictief stukje hoe deze laatste momenten moeten hebben gevoeld voor De Nerval:
Een aanvankelijk hoger gedeelte van de steeg komt over een stenen trap naar een lager gedeelte, een echte spelonkachtige modderige hoek, voerend naar de Seine, met slaapplaatsen onder gemuurten voor de allerarmsten, de daklozen. Een laatste poging: Gérard klopt aan de deur van een verdacht kroegje hem waarschijnlijk bekend. Geen gehoor. De ‘waardin’ heeft geen enkel bed beschikbaar. De temperatuur lokt niet tot het binnen laten van laatkomers. (…) Ten spot van het geboefte hangt daar de dichter, die in de wereld van de werkelijkheid zich niet thuis voelde. Die zich een eigen bovenaardse wereld droomde. Hij draagt in zijn doodsuur een hoge hoed, verniste schoenen en geklede jas en een groen-grijs gestreepte broek, schamele glorie van dit einde…. De getuigen van zijn laatste snik zijn voddenrapers, slenteraars, dronkaards, spullenbazen.
In zijn voorlaatste roman schrijft hij in zijn voorwoord iets over de supernaturalistische droomtoestand. Dat pakte André Breton op. Zo werd De Nerval na zijn dood een beetje een Surrealist. En niet minder dan Marcel Proust was door hem beïnvloed (het verhaal Sylvie uit de roman Les Filles du feu).
Arnold Heumakers schetst hem zo:
In de perioden daartussenin schreef hij zijn gedichten, verhalen en artikelen, rondzwervend door Parijs en door de wereld, zelden voorzien van een vaste woning. Een dichterlijke dakloze. Pas in de 20e eeuw werd zijn genie ten volle erkend, onder meer door de surrealisten die zich verwant voelden met zijn poëtisch `surnaturalisme’.
Hij was een echte literaire allrounder zoals je er maar weinig tegenkomt vandaag de dag. Er is bijna niets wat hij niet heeft gedaan in de literatuur. Misschien werd hij tijdens het schrijven wel iets te veel beïnvloed door allerlei grote namen van zijn tijd. Wie weet is dat de reden dat we hem nu niet meer goed herinneren als veel van zijn tijdgenoten.
Dat is tragisch maar het maakt De Nerval ook iemand die je kunt ontdekken zonder dat er een allesbepalende roman het uitzicht verpest.
Waar gaat Feest in Holland over?
In 1852 bezoekt Gérard de Nerval België (Brussel, Antwerpen) en Nederland (Den Haag, Zaandam, Amsterdam). We lezen zijn observaties, zoals wanneer hij de kermis van Den Haag bezoekt:
Ik ging een café binnen om inlichtingen in te winnen. Toen maakte ik ten slotte uit het Nederlandse gekwetter van de kelner op dat ik inderdaad met mijn neus in de boter viel – de Haagse kermis die maar één maal per jaar plaats vindt! Wat een geluk! (…) In die straat waren er een honderdtal zeer solide gebouwde huizen, goed in de verf, vernist, en verguld, die me deden denken aan de mooiste straten van Istanbul tijdens de nachten van de ramadan. Ze hadden binnen allemaal dezelfde indeling: een tamelijk grote ruimte, verlicht door kristallen luchters en vergulde wandornamenten.
Grappig zijn observaties als deze:
In Holland drinken ze koffie als thee, hij is alleen lichter dan bij ons. Ik had er zelf behoefte aan meerdere koppen te drinken om de massa gebakken roomkoekjes met boter te compenseren waarmee die schonen u schaterend van de lach volstopten. “Kapitein,” zeggen ze, “kapitein, ach kapitein.”
Hij doet ook deze grappige observatie, die denk ik vrij correct is:
Ik weet niet waarom grote Nederlanders altijd afgebeeld worden met hun hoofd gebogen over hun boek. Laurens Coster in Haarlem peinst erover hoe hij zijn letters uit hout zou snijden. Rembrandt denk na over een meesterwerk en en kruist zijn handen over zijn boek waarbij een van die handen een punt van de mantel openslaat.
Of in België, als hij kunstadvies krijgt van de politie:
“Ja,” zei een ambtenaar van het tafeltje ernaast die even opkeek, “ze zeggen dat ze een beeld hebben dat nog mooier is dan ons beeld van Rubens in Antwerpen, weet ge dat wel? Dat moet u echt gaan zien, weet ge dat wel?“
“Dat zal ik zeker doen, meneer,” antwoordde ik.
En ik bewonderde de artistieke wedijver van deze twee landen, zelfs op het politiebureau.
Eigenlijk is het een vrij nuchtere serie beschrijvingen. Ook uit dit boekje houd ik het gevoel over dat De Nerval heel intelligent was maar moeite had met het vinden van zijn eigen schrijftoon, zo onder de indruk was hij van allerlei grootheden van zijn tijd, zoals Goethe, Hugo en Heine. Vandaar dat vertalen en bloemlezen hem ook zo goed lag.

Feest in Holland is kort, slechts 60 bladzijden, maar wat je noemt een ‘mooi literair kleinood’.
In 1939 schrijft ene D.A. de Graaff een giga-artikel in de Nieuwe Gids (bijna een boek op zichzelf) en hij of zij vergelijkt dit reisverslag toch met Laurence Sterne’s Sentimental Journey. Met een voorbeeld van archaïsch taalgebruik als bonus:
De beschrijving van de Haagsche kermis herinnert, zoo nu en dan aan de ‘Sentimental Journey’, maar ook vinden wij hier den invloed der Oostersche reis, welke Gérard tot een geheel apart opmerker maakt en zijn zwerftocht door de verschillende tentjes gelijkt een moderne Odyssee. (…) Het is de extatische blik van Gérard, die steeds in een illusie leeft, welke ons in deze beschrijving treft; het is een ander maal de humoristische kijk op de dingen of ook de lucide opmerkingsgave van een modernen Ostade. Breed is de blik van dezen dichter, die nooit het ding als zoodanig ziet en niet voor de verst verwijderde analogieën terugschrikt. Inderdaad, het rijk zijner fantasie schijnt slechts begrensd door den Oceaan en den Ganges, en de herinnering der verlichte Haagsche straten valt voor hem samen met het beeld van de straten in Stamboul gedurende de nachtwaken van den Ramazan.
Nieuwsgierig geworden naar De Nerval? Dan zou ik op zoek gaan naar de Privé-Domein uitgave Het treurige beroep van een schrijver uit 2004, met allerlei autobiografisch proza.
