Abram Terts: fantast in de Sovjettijd

Indipendenza geeft om de maand aandacht aan bijzondere literatuur die in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Deze keer: Fantastische Verhalen van Abram Terts (Uitgeverij Van Gennep, 1971).

1163 woorden / 6 minuten leestijd / Thema’s: geschiedenis, humor, science fiction

Wie was Abram Terts?

Abram Terts is om mee te beginnen een pseudoniem. Hij heette in het echt Andrej Sinjavski. Hij was een wat stille, onopvallende man, die volgens een postuum-artikel in de Volkskrant er zo uitzag:

Hij zag eruit als een soort kabouter, een kleine gebogen gestalte met een puntbaard, die zacht sprak en een zeer verlegen indruk maakte. Met z’n ene oog keek hij omhoog de verte in, z’n andere had een aardse blik. Op reis werd hij begeleid door zijn vrouw Maria Rozanova, een kordaat type, die hem geen minuut uit het oog verloor en voor wie iedereen altijd bang was. Naast haar leek hij nog verder ineen te schrompelen tot een hulpeloze dromer. Hij had, kortom, niet het postuur en de uitstraling van een held.

Sinjavski’s debuut Wat is socialistisch realisme? schreef hij in 1959. Dat werd als ‘samizdat’ naar het buitenland gesmokkeld en in Frankrijk onder het pseudoniem Abram Terts uitgebracht. Zo werden ook Het proces begint in 1960 en Fantastische verhalen (Les Récits Fantastiques) in 1961 uitgebracht. Allemaal vrij absurde, grimmige, fantasierijke verhalen. Wederom de Volkskrant:

Stuk voor stuk konden de verhalen gelezen worden als een bijtende politieke satire op de Sovjet-werkelijkheid. In de stad ‘Ljoebimov’ (‘Dierbare’), bijvoorbeeld, krijgt een fietsenmaker plotseling de macht. Hij hypnotiseert de inwoners en brengt ze tot de overtuiging dat ze de meest bevoorrechte mensen op aarde zijn. De Sovjet-autoriteiten maakten al jaren jacht op de auteur, die het waagde om het reëel bestaande socialisme belachelijk te maken.

Omdat hij behoorlijk voorzichtig was met zijn identiteit was het lang lastig voor de Sovjet-overheid te achterhalen wie er achter de schrijfsels van ‘Abram Terts’ zat. Even werd zelfs gedacht dat de bekende schrijver Vladimir Nabokov deze werken had geschreven. Maar het was dus Andrej Sinjavski.

Uiteindelijk werd hij hiervoor toch opgepakt. In 1965 volgde een rechtszaak waar hij sindsdien in een naam wordt genoemd met een andere schrijver die ook een proces kreeg: Joeli Daniël. Tegen dit showproces kwam in het Westen veel ophef over. Iemand als Karel van het Reve benoemt het redelijk vaak in zijn stukken.

De rechtszaak eindigde ermee dat ze naar de goelag in Siberië moesten. In 1971 werd hij vervroegd vrijgelaten en twee jaar later emigreerde hij naar Frankrijk. Hij werd een professor van de Russische literatuur bij de Sorbonne in Parijs en ging weer verder schrijven.

Een bekend boek was zijn fictieve verslag van zijn geschiedenis, Goedenacht, dat in 1987 in Nederland uitkwam. Lees er meer over in Vrij Nederland van dat jaar.

Hier een korte quote uit dat stuk van Vrij Nederland om laten zien hoe hij het bedacht:

Niettemin woont deze Terts onder één dak met de ‘eerlijke intellectueel’ Sinjavski, ‘die geneigd is tot compromissen, tot een teruggetrokken en beschouwend leven en die alleen ter compensatie van God weet wat voor minderwaardigheidscomplex in zijn ziel die onuitstaanbare schurk genaamd Abram Terts heeft uitgebroed’. Het is dank zij Terts dat Sinjavski zijn arrestatie en proces kan doorstaan. De cynische Terts neemt afstand van de geschiedenis die zich afspeelt met Sinjavski. Door zich op het standpunt van zijn dubbelganger te stellen kan ook Sinjavski zelf boven alles staan, zichzelf en de situatie waar hij zich in bevindt met de ogen van een spottende buitenstaander waarnemen.

In 1997 overleed hij.

Waar gaat dit boek over?

Zijn boek Fantastische Verhalen kwam ik onlangs in een antiquariaat tegen en dat was een mooie gelegenheid eens wat dieper in zijn werk te duiken. Dit zijn mysterieuze korte verhalen, een beetje in de stijl van E.T.A. Hoffmann en Nikolaj Gogol. Nou is Hoffmann wat spannender en Gogol nog wat absurder, maar het geeft wel een idee.

Zijn teksten zijn cynischer en harder van toon dan de andere twee schrijvers. Terts speelde vaak met het idee van twee personages, twee identiteiten, zoals hij zelf ook Sinjavski (de vriendelijke docent) en Terts (de cynische fantast) was.

Twee verhalen springen er wat bij betreft bovenuit, dat zijn Jij en ik en Pchents. In Jij en ik bestaat de hoofdpersoon opnieuw uit twee personages. De een is menselijk, de ander een paranoïde alien (denk ik).

Moskou krioelde van de vermomde personen. Zij deden alsof ze zijn richting uitkeken (maar iintussen hielden ze hem stilletjes in de gaten). Zij speelde de toevallig voorbijganger en slenterden met een uitdrukking van afwezigheid over straat, maar om de een of andere reden waren zij allemaal eender gekleed en droegen voorgeschreven schoenen van stof.

In Pchents is een man vanuit een buitenaardse wereld op aarde terecht gekomen. Via de Jakoeten in Siberië kwam hij terecht in Moskou en doet zich daar voor als gebochelde. Hij is koudbloedig en heeft altijd water nodig (niet om te drinken maar om over zijn hele lichaam te spoelen).

Hij denkt er wel eens wat er gebeurt als het uitkomt:

Maar ondanks al deze wereldwijde aandacht voor mijn bescheiden persoontje zal niemand er iets van begrijpen. Hoe kunnen zij mij begrijpen, wanneer ik zelf op geen enkele wijze in hun taal mijn niet-menselijke natuur kan uitdrukken. Aldoor draai ik er om heen en stel ik me tevreden met metaforen, maar zodra het erop aankomt, verstom ik.

Zijn zogenaamde gebocheldheid is een excuus om met geen enkele aardbewoner persoonlijk te worden – tot ene Veronika wel verliefd op hem wordt.

Gistermorgen klopte ik op haar deur om mijn pen te vullen en aan mijn onregemkatig bijgehouden dagboek verder te gaan. Veronika was nog niet op en las liggend in haar bed ‘De vier muskatiers’. ‘U komt te laat op college,’ zei ik na haar beleefd goedemorgen te hebben gewenst. Zij deed het boek dicht en zei: ‘En u weet dat heel het huis mij als uw minnares beschouwt.’

Ik zei evenwel niets, en toen gebeurde het vreselijke. Veronika’s ogen schoten vuur, ze wierp de deken van zich af en staarde mij woedend met heel haar onbedekte lichaam aan: ‘Kijk eens, Andrej Kazimirovitsj, wat u heeft geweigerd!’

Het boek bevat verder nog gedachten (Invallen) en het gewraakte artikel Wat is socialistisch realisme?

Zijn er voorbeelden van de stijl?

De stijl van het boek is jammer genoeg niet zo hartveroverend geestig als Gogol, waar Terts wel eens mee vergeleken wordt. Gogol is luchtiger en makkelijker te volgen. Daarnaast is het ook wat minder satirisch dan iemand als Vladimir Vojnovitsj.

Bij Terts zit de humor wat meer in het gegeven zelf, zoals wanneer de gebochelde man in Pchents een andere gebochelde man aanspreekt en denkt dat hij óók een vermomd buitenaards wezen is, tot hij merkt dat het puur toevallig is, dat de gebochelde man echt een mens is.

De humor zit vermoedelijk daardoor minder in de stijl maar meer in verwijzingen naar de politieke situatie van die tijd, maar dat is vooral voor Terts’ tijdgenoten interessant geweest. Ik had wat meer op absurde passages gehoopt, zoals dit soort zinnen uit het openingsverhaal In het circus:

Er deed zich plotseling een gunstige gelegenheid voor, en wel in de persoon van de man die hij nodig had met een bontmantel aan,, loshangend over de hele lengte. Terwijl deze de hoofdingang met zijn geweldig brede gestalte blokkeerde, zei hij tegen iemand, tegen wie was niet duidelijk: ‘Een echte acrobaat moet je uitgekleed zien. En niet in het circus, maar in je flat, op het tafellaken, temidden van ananassen…’

Die zijn spaarzaam. Al met al is het lezenswaardig genoeg voor liefhebbers van mysterieuze verhalen, maar liefhebbers van satirische komedie moeten het elders zoeken.

Meer lezen, luisteren of kijken?