Longreads over cultuur - elke maand een nieuwe longread
A.L. Schneiders: ambassadeur met literair talent

A.L. Schneiders: ambassadeur met literair talent

Indipendenza geeft om de maand aandacht aan bijzondere literatuur die in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Deze keer: Rapport van de secretarisvogel van Bram Schneiders alias A. van Anders (Querido, 1981).

1 april 2021 / 2196 woorden / 16,9 minuten leestijd / thema’s: reizen, korte verhalen, komedie, politiek

Abraham Louis (Bram) Schneiders was bij zijn spaarzame lezers beter bekend als columnist Drievoeter en korteverhalenschrijver A. van Anders. Hij was parttime ambtenaar en parttime schrijver. En niet zomaar een ambtenaar maar ambassadeur in landen als Kameroen, Gabon, Tsjaad, Zimbabwe, Nieuw-Zeeland, Fiji en Tuvalu. Een ambassadeur met literair talent dus. Iets wat hij dus gemeen heeft met F. Springer, die in het echt Carel Jan Schneider heette (Springer was een pseudoniem). De diplomaat/ambassadeur/schrijver die beroemd werd met het boek Bougainville.

Ook al leest u graag, de kans is groot dat u nooit van Bram Schneiders heeft gehoord, en ook zijn dood vorig jaar (juli 2020) maakte geen rimpel in de literaire wereld. Hoe kan dat dan? Soms is de literaire wereld wel iets te makkelijk in bepalen wat goede literatuur is en wat niet. Het hangt ook af van trends en smaken van bepalende mensen op dat moment.

Literatuurcriticus Kees Fens hakte het boekje Rapport van een secretarisvogel in 1981 bijvoorbeeld in de pan met twee woorden: ‘Te ironisch’. En dat is doodzonde, want afgezien van het feit dat het niet waar is, het gaat veel meer over verbazing, duidt het ook op een vooringenomen houding.

Schneiders schreef zijn eigen literaire graf door geen concessie te doen naar de ‘literaire markt’. Hij schreef altijd eenvoudig en had ook niets met modieuze onderwerpen, waar men in die tijd geacht werd romans over te schrijven. Hij brak nooit door bij het grote publiek, zelfs bijna niet op een liefhebbersniveau, en schreef geen serieuze klassieker waar leraren Nederlands nog wat aan zouden hebben. Een voordeel bij een nadeel: zo kon hij zo in alle luwte zijn eigen gang gaan want voor het geld hoefde hij niet te schrijven.

Het lot van Schneiders/A. van Anders doet mij denken aan twee andere lichtvoetige linksbuitens van de literatuur: Biesheuvel, A. Alberts. De Nederlandse literatuur is meestal niet zo gecharmeerd van lichtvoetige linksbuitens. Ze houden meer van thematisch verantwoorde voorstoppers en serieus over pagina’s dravende middenvelders. (Het grappige is dat dat juist in het voetbal andersom is.) Terwijl deze drie mooie, zachtaardige verhalen schreven, met veel zachte humor en geen overtollige psychologie.

Omslag van Peter Vos

Wereldwijde levenservaring druipt al vroeg door

Als ambtenaar reisde Schneiders over de hele wereld en nam die kennis en afstand mee in zijn proza. Het gekissebis van de Nederlandse literatuur zal voor hem iets heel abstracts zijn geweest vanachter zijn bureau in Ndjamena. Het leverde ook geweldig materiaal op, want hij kwam overal en ontmoette veel mensen. Hij had er best een autobiografie uit kunnen peuren van 500 bladzijden, maar hij bracht het terug tot anekdotische korte verhalen van 7 tot 10 bladzijden.

Met die afstand die hij had, belandde hij in een wereld die bol staat van de verbazing. Een van de verbazingen: hoe serieus we ons vak uitoefenen. Ook hijzelf. Hans Vervoort beschreef dat goed in zijn in memoriam: ‘De hoofd- (meestal ik-) persoon in zijn verhalen zag zichzelf voortmodderen in het leven en moeizaam zijn altijd licht belachelijke plicht vervullen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Het schrijven moet voor hem een manier geweest zijn om wat hij overdag vermoedelijk met grote ijver en inzet deed achteraf toch wat te relativeren. En dat leverde prachtige, vaak ook zeer humoristische verhalen op.’

In een van zijn eerste verhalen, in het eerste nummer van het Hollands Maandblad in 1959 (hij was toen 34 jaar, dus nog ver voor hij werd uitgezonden), schrijft hij al met net zoveel verbazing over zijn tijd als soldaat:

‘Als ik mij goed herinner was zingen een van de weinige dingen die wij uit eigener beweging deden. Wij zongen lelijk, maar uit volle borst, van Marjolein die de commandant van het ledikant was, of zoiets. Dat van het ledikant zong het lekkerst, vooral in drukke winkelstraten of langs meisjesscholen. Voor één glorieus moment leefden wij ons dan uit tot boven, buiten of misschien wel onder de wet. Ik denk dat zolang wij dat een genoegen vinden er wel soldaten zullen zijn.’

Of als hij als student bij een plechtigheid aanwezig is:

‘Prof. H. begon zijn toespraak. Zijn stem komt de toeschouwer hoffelijk tegemoet, niet zonder een lichte reserve, maar zeker niet kil, goed op kamertemperatuur zou men kunnen zeggen en ik dacht zelfs iets warmer dan dat. ‘Kunt U mij goed verstaan? Ja? Ook aan het eind van de zaal?’ Bij ieder ander zou dat al gauw oubollig hebben geklonken of gewild populair, maar nu was het de natuurlijkste vraag van de wereld. Maar blijkbaar waren wij toch niet helemaal gewend aan zoveel eenvoudig gemak bij plechtigheden; niemand riep ja of nee. Alles wat er uit de zaal kwam was een zuchtje onbestemd gezoem, een doodgeboren glimlach.’

Hij schreef in de jaren zestig voor het Hollands Nieuwsblad in een tijd dat Hella Haasse, Hugo Brandt Corstius, Renate Rubinstein, Nico Scheepmaker er ook voor schreven. Later schreef hij ook voor de Tirade en in de jaren zestig kwam daar nog een wekelijkse column in het NRC Handelsblad onder de naam Drievoeter bij. Veranderingen in de literatuur hadden weinig op Schneiders. Hij schrijft aan het begin ongeveer hetzelfde als later in zijn carrière, hoewel zijn proza wel alsmaar scherper, puntiger en korter wordt. En leert steeds meer zijn sterkste punt kennen: verhalen over reizen.

Reizen en observeren en komisch beschrijven: een kunst

In 1961 lees je in het verhaal Door de verrekijker al de contouren van wat Schneiders stijl later zou worden: een combinatie van reizen, observeren en dat met gevoel voor humor beschrijven. De schrijfstijl is bondiger en vlotter. De verhalen bevatten steeds meer karakterschetsen en dialogen en krijgen meer een eigen gezicht.

‘Al plukkend van wilde aardbeien, frambozen, bosbessen en kantarellen waren wij op weg naar boven, naar het ijzeren gordijn dat daar precies op de bergtop scheen te rusten en waar ons een mooi uitzicht was beloofd op de andere kant, de verkeerde. Zoals men zal begrijpen kon ik niet nalaten mij, als ik eraan dacht, in te prenten: hier loop ik nu aan de goede kant van de berg, dus vrij en gelukkig, maar zoals altijd, de vrijheid en het geluk wilden niet op kommando komen. Niet dat ik ongelukkig was, integendeel, het was een mooi bos en wij hadden al zakken vol kantarellen.’

Zijn stijl wordt steeds herkenbaarder, zols blijkt uit het verhaal Op de qualityfloor uit 1962, dat bij vlagen doet denken aan Elsschot:

‘Dat ik het hier nog uit weet te houden, komt wel voornamelijk door mijn hoge positie, in geografische zin natuurlijk. Mijn bureau staat op de corridor van de twintigste etage, die waarop onze president-directeur, Max Alons, zijn kamers heeft en die door het personeel dan ook qualityfloor wordt genoemd. De stad met zijn spoorwegemplacementen, de rivier en de havencomplexen, de hele wereld ligt aan onze voeten, als een foto voor luchtbombardementen, als een maquette voor grote affaires. Voor een man als Alons moet het wel enorm stimulerend zijn, dit uitzicht en trouwens, ikzelf heb ook het gevoel er iets anders mee te moeten doen dan er in gedachten kleine bommetjes in te gooien, al weet ik nog altijd niet precies wat.’

Met die verbeterde stijl en die schetsen wordt het ook steeds grappiger, zoals in Tussen nonnen en kanonnen, ook uit 1962:

‘Juist had ik mij van de bergwei laten rollen toen de nonnen ineens voor mij stonden of liever, draaiden. Alles draaide nog mee, de bergen, de grond, de huisjes en eerst dacht ik dat die nonnen nogal een onverwacht soort neveneffect van mijn duizeligheid moesten zijn. Maar zij stonden daar werkelijk tegen de heldere blauwe lucht, zo echt en zwart als een fotomontage. Blijkbaar waren zij net uit het huisje onderaan de helling gekomen terwijl ik naar beneden kwam rollen. Om goed te laten zien dat ik voor vrouw en kinderen had gerold en niet zo maar als een beschonken duivel, woof en riep ik demonstratief naar boven, waar mijn verwanten benieuwd toekeken. Het hielp niet.’

Een ‘meesterwerk’ schrijven, was niet aan hem besteed. Hij had twee talenten en koos voor de carrière die het beste betaalde. Eind jaren zestig en in de jaren zeventig schreef hij maar weinig verhalen. In de jaren tachtig begon het literaire bloed weer wat meer te stromen en verschenen wat meer verhalen over zijn tijd in Afrika, en dus ook Rapport van een secretarisvogel in 1981. Het had een klassieker kunnen zijn in de categorie lichtvoetige literatuur maar daarvoor vond men het dus ‘te ironisch’.

In de jaren negentig gaat hij met pensioen en heeft hij weer tijd voor proza, zoals het verhaal De dagen van een pensioenganger uit 1994. In 2009 verschijnt zijn laatste verhaal in het Hollands Nieuwsblad, hij overlijdt in 2020. In totaal verschijnen er zes verhalenbundels.

Rapport van een secretarisvogel

Dit tot op heden geruisloos langs menigeen gegaan boekje uit 1981 haalt zijn kracht uit karakterschetsen en grappige reisverhalen. Het heeft geen woord te veel en legt ook niet te veel uit. Je leest praktisch geen informatie over het feit dat hij vijftien jaar lang zijn familie in de steek heeft gelaten, dat hij alleen de wereld rondreisde. Laat ook niets weten over welke ellende is voorgevallen, je weet als je het boek leest niet eens wat voor werk hij heeft gedaan. Zouden we met die kennis ook wat opschieten? Hoe meer gefocust op de literaire kant, hoe beter in dit geval.

En dus overal weer die verbazing:

‘De verhalen of verslagen in dit boek bewegen zich over ongeveer de laatste vijftien jaren, en ook ruimtelijk zijn ze steeds verder van huis gekomen. (…) Ik zou het mij aantrekken indien ik van deze of gene wijsheis te horen zou krijgen dat mensen en toestanden daar denigrerend of zelfs maar patroniserend beschreven zouden zijn. Wel waren ze gebaseerd op eerste indrukken daarginds, en de volgen van de ‘cultuurschok’ moeten wel merkbaar zijn, mét de bijbehorende verbazing. Nu ik alweer meer dan twaalf jaar in Azie en Afrika heb geleefd, en het leven hier langzamerhand minder verbazend vind dan dat bij voorbeeld in Amsterdam en Urk, zouden mijn verslagen uit laatstgenoemde centra van de wereld zonder twijfel getuigen van een schok in omgekeerde richting. Mijn pen kriebelde al toen ik onlangs passages las uit een dissertatie van een Indonesische socioloog over leven en streven op Urk. De man was nog steeds niet van zijn verbazing bekomen.’

Schrijven is ook het talent om kruimels smakelijk te kunnen opdienen. Zoals wanneer hij in Der Grossmann beren gaat zoeken en een jachtopziener hem zegt dat hij ‘besser in Oktober’ kan terugkeren, want ‘jetzt Der Grossmann in Wald’. Daarop slaat zijn fantasie op hol.

‘Een Oostenrijkse forellenvisser had mij van die Duitse jagers verteld, vol meegevoel. Nu houd ik niet van forellenvissers en zeker niet van Oostenrijkse en nog veel minder van Duitse jagers, die daar ook nog eventjes de laatste beren zullen uitroeien.’ ‘Was dit dan Der Grossmann, deze idiote, half dierlijke of dronken stem? Barst jij stomme Grossmann, ik heb je niet meer nodig, hou nu in godsnaam je bek. Later heb ik begrepen dat het de Bosniërs zijn, die hier komen werken als houthakkers. ‘Zo primitieve mensen zijn dat,’ bromde Sporar Iwan. ‘Als het donker valt worden ze bang en schreeuwen ze zich zo moed in.”

Verder mooie verhalen over een gevangen Javaan op een boottocht, een Afrikaanse ballenjongen die in een doos naast de tennisbaan leefde, een Indonesiër tegen wie hij eerst streed en die later zijn jachtpartner wordt, zijn zachtaardige korporaal die (misschien) zelfmoord heeft gepleegd.

De schaduw van een andere ondergewaardeerde schrijver (A. Alberts) hangt over het hele boek. In de boom had zo in De eilanden gekund. Daarin gebeurt niets anders dan dat hij in een boom zit te wachten op een zwijn, terwijl hij herinneringen ophaalt aan mensen die hij kende toen hij er twintig jaar eerder zat tijdens de oorlog. De verhalen zijn net zo ‘algemeen’ als in De eilanden, en wordt er net zo min geprobeerd om de geschiedenis van een land neer te zetten. Ze ogen als anekdotes zonder betekenis. Zijn ze dan echt betekenisloos? Of kun je er juist veel uithalen over mensen en falen? En is het niet veel belangrijker dat het gewoon erg mooi is opgepend?

Het is ook de eenvoudige stijl die mij troost geeft:

‘Wanneer je rekent hoeveel mensen per minuut sterven, dan is het verwonderlijk dat je vrijwel nooit een dode op je pad vindt, tenminste niet in onze streken en verkeersongevallen daargelaten. Je zou mogen verwachten dat van tijd tot tijd in de bus, in een lift, op een lange ongezonde vergadering, iemand ineens zwijgt, een hand naar je uitsteekt, fluisterend omvalt tegen zijn buurman.’

Hopelijk wordt het beste deel van zijn oeuvre samen met context over zijn reizen en verblijfplaatsen nog eens recht aangedaan met een mooie, luxe uitgave – het zou de meest literaire ambassadeur uit onze geschiedenis wel eer aan doen.

Meer lezen