James Purdy: de outsider uit Brooklyn

James Purdy: de outsider uit Brooklyn

Indipendenza geeft om de maand aandacht aan bijzondere literatuur die in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Deze keer: Kleur van duisternis van James Purdy (Athenaeum, Polak & Van Gennep, 1989).

1 augustus 2021 / 1921 woorden / 14,5 minuten leestijd / thema’s: New York, schrijverschap, satire, mensen / Featured image via Wikimedia Commons

James Purdy klinkt als de schrijver die je denkt te kennen maar waarvan je bij nader inzien toch geen flauw idee had wie hij was. Purdy volgde niet de heersende mode en schreef ook geen ‘klassieker’ die leerlingen nog braaf lezen voor hun boekenlijstjes. Purdy: ‘Ik heb geen appeal voor een speciaal soort kliek. Je moet jezelf vertegenwoordigen. En als je dat doet, kun je andere mensen raken.’

Wie was James Purdy?

Purdy werd in 1914 geboren in Ohio, kwam uit een boerenfamilie, werkte als tolk, ging lesgeven in Cuba en later Wisconsin, reisde rond, begon met fulltimeschrijven, woonde in Brooklyn, overleed in 2009.

Zijn culturele geschiedenis begint in de jaren dertig. Hij kwam vaak in de salon van Gertrude Abercrombie. Daar ontmoette hij interessante mensen, waaronder praktisch alle jazzgrootheden. Dat inspireerde hem. Hij schreef ook verhalen over Afro-Amerikaanse karakters. Sommigen dachten dat hij zelf van Afro-Amerikaanse afkomst was.

In de jaren vijftig debuteerde hij met een verhalenbundel. Malcolm in 1959 was zijn eerste roman. Vele romans volgden. In 2000 schreef hij zijn laatste boek.

Zijn boeken waren portretten over outsiders in de Amerikaanse maatschappij. Maar ook waren ze satirisch, plagerig en bloederig. Laat Wikipedia het maar uitleggen: Hij hanteert een zeer eigenzinnige, duistere stijl; de toon is vaak ironisch of satirisch, en de verhalen zijn grotesk of bevreemdend. De enige schrijver met wie ik het kan vergelijken, is de eveneens Amerikaanse outsider Richard Brautigan.

Op de vraag of hij tragisch of komisch schreef, zei hij: ‘Ergens in het midden.’ Hij was liefhebber van Gogol maar ook van Hemingway. Dat zag je ook terug in zijn werk: het is niet echt grappig, het is niet echt tragisch, maar wel een interessante middenweg.

Omdat hij een zeer vriendelijk man was, schokte het veel mensen dat er zo vaak iets bruuts gebeurde in zijn boeken.

‘Ga je mee naar huis, mevrouw Klein?’, zei hij en hij sloeg haar weer. Haar lip sprong open tegen haar tanden, zodat je het bloed kon zien stromen.
(…) Plotseling sloeg hij haar tegen het trottoir. Ze bleef daar wel een minuut liggen, zonder dat er een woord gewisseld werd. ‘Ben je bij bewustzijn?’ zei hij naast haar knielend. ‘Zeg me of je pijn hebt wilde hij weten.’ ‘Je hebt iets in mijn hoofd bezeerd, geloof ik’, zei ze.

Hij kreeg een beurs via Guggenheim Fellowship, maar die verdween snel nadat hij een boek had geschreven over een beurshandelaar die serieverkrachter werd (misschien herkenbaar voor mensen die American Psycho kennen). Ook de uitgeverswereld kreeg flink van langs in dat beruchte boek (Cabot Wright Begins). Oordeel van een criticus: ‘The sick outpouring of a confused, adolescent, distraught mind.’

Purdy’s outsidersreputatie was gemaakt. Mensen verwonderden zijn hele schrijfloopbaan waar hij die donkere kant vandaan haalde. Hij zei zelf: ‘Als je je agressie creatief als uitlaatklep gebruikt, zo maak je dat je zelf geen behoefte daaraan heb. Ze zijn niet autobiografisch. Onze echte persoonlijkheid zit verborgen. Je vindt wel veel van jezelf in de ervaringen van anderen. Ik hou van verhalen van iemand anders die ik kan vertellen. Ik krijg veel fanbrieven. Ze zeggen: je hebt mijn leven beschreven, hoe deed je dat?’

Hij is geen shockschrijver. Soms is zijn proza ook erg aandoenlijk en gevoelig:
‘Toen ze naar haar zuster [Mahala] keek, voelde ze voor het eerst de liefde die Plumy gekoesterd had voor een zoontje dat Mahala nooit had gezien, George Watson. Voor het eerst begon ze in Plumy iets van een moeder te herkennen, en plotseling voelde ze een genegenheid voor haar, die ze nooit eerder had gevoeld.

Dan is er nog de terugkerende (homo)seksualiteit. Hij haatte het zelf dat hij in het hoekje homoseksuele schrijvers was ingedeeld. ‘Ik ben een monster. Homoseksuele schrijvers zijn veel conservatiever.’ Marcel van Lieshout schreef er een essay over en legt het wel goed uit. ‘Vooral de veelvuldig beschreven liefdesbetrekkingen tussen mannen gaan in zijn romans gepaard met geweld en vernietiging.’ Gra Boomsma die hem vertaalde schreef destijds: ‘De dood fungeert in Purdy’s werk vaak als verlossing, een vlucht uit het te ingewikkeld geworden leven.’

Waarom verafschuwde hij ‘mainstream’ zo?

Purdy verafschuwde commercie en mainstream cultuur als geen andere schrijver in die tijd. ‘We leven in een extreem onbeschaamde maatschappij, waarbij commercialisme en marketing ingrijpen in menselijke waardigheid en geestelijke gezondheid. We bestaan alleen om gemanipuleerd te worden door erg slimme verkopers.’

Zelden laat hij de kans ongelegen om daartegen te fulmineren – vooral tegen de broodschrijvers die hij overal zag. Dan kwam de boze satiricus naar boven. ‘Er is conventie en dan de tirannie van kunst’, zo zag hij het.

Satire was zijn wapen om tegen de labbekakkerij te strijden. Het was dan ook niet vreemd dat hij zelf ook vaak werd aangevallen. James Purdy ‘was his own strange bird’ zegt liefhebber Sam Lysite in een interview. Kansen op succes liet hij liggen en hij liet geen kans onbenut om anderen aan te vallen. Weer uit het stuk van Van Lieshout: ‘Als hij geïnterviewd wordt, zal Purdy de kans niet laten lopen zijn gal te spuien over het literaire establishment in zijn woonplaats New York, door hem ‘Zombie City’ gedoopt.’

Waarom haatte hij het dan zo? Hij had immers ook zijn schouders erover kunnen ophalen. Purdy voelde zich vermoedelijk minder serieus genomen dan de saaiere broodschrijvers: ‘Een boek dat literaire waarde heeft wordt niet erkend of weggemoffeld. De echt goede redacteuren en lektoren bij uitgeverijen zijn uitgestorven.’

Of deze zin: ‘Mannen in de reclame hebben labels nodig om iets te verkopen, maar ze konden mij nooit zo indelen want al mijn boeken zijn verschillend.’

Misschien ligt ook een verklaring in zijn achtergrond. Door de ontmoetingen met al die jazzmusici begon zijn eigen stijl te ontwikkelen. Hij was al een outsider voor zijn schrijfcarrière begon. Wie een outsider is, zal nooit volgens de ‘literaire kliek van een tijd’ de beste schrijver zijn. Dat gold in elk geval ook voor Purdy.

Interview met Purdy uit 1976. (Dit is een plaatje, klik op het plaatje naar de link van het interview.)

Veel was ook toeval in zijn rol als outsider. Zo werd gedacht dat hij Brooklyn om principiële redenen koos als woonplek. Niets was minder waar: ‘Ik weet echt niet waarom ik hier woon. Ik had niet echt een keuze. Ik verhuisde hierheen omdat ik wanhopig was om een huis te vinden.’

En Purdy’s oncompromisloze aanpak leverde ook fans op. Critica Edith Sitwell vond hem erg goed – ook tot zijn eigen verrassing. Uit bovenstaand interview uit 1972 blijkt dat menig progressief criticus hem in die tijd ook zag als een belangrijke schrijver. Purdy kopt de vragen over literaire principes gretig in.

Outsiderschrijvers worden nooit enorm populair maar trekken vaak wel een trouwe schare liefhebbers aan. Ook in Nederland. Waaronder Adriaan van Dis, die hem interviewde in 1990. Jan Siebelink interviewde hem ook een paar keer. En schrijver/vertaler Graa Boomsma, die hem in 1985 bezocht in Brooklyn, en toen schreef: ‘Waar het fabeltje vandaan komt dat de Amerikaanse schrijver James Purdy zelden interviews zou toestaan weet ik niet. Er verschijnen zo weinig vraaggesprekken met hem omdat bijna niemand op de gedachte komt contact met hem te zoeken.’

Wat was zijn stijl?

Purdy’s romans en verhalen zijn niet moeilijk te lezen. Heel veel dialogen, de beschrijvingen staan er alleen voor de lardering, en verder heel weinig moeilijke ‘literaire’ zinnen. Dat zou ook niet bij zijn stijl hebben gepast.

Wat is zijn stijl? Je leest meestal twee mensen die met elkaar praten en een soort verbaal conflict hebben. Dat loopt soms uit de hand, maar soms ook niet. Soms verstrijkt er tijd, soms ook niet. Soms zie je echt een toneelscène voor je, een andere keer wordt een mini-roman verteld.

Wat ook meteen opvalt als je Kleur van duisternis leest, is dat hij hield van simpele en treffende zinnen:

Paul wist niets van zijn vader, totdat hij de doos met foto’s in een trapkast vond.

Philip keek op de cafetariaklok en begon weinig beleefd op zijn stoel te draaien.

Uit zijn mond dropen dikke zwarte draden, alsof hij zijn bittere verdriet had uitgespuugd.

Alles rook naar karbonaden in dat huis. Die moest hij per se eten.

Ze werd echt een beetje bang, met hem daar in die donkere, muf ruikende apothekersruimte.

Toch was wat hij schreef geen technisch verrukkelijk proza dat zich aldoor leent voor citeren. Daarvoor is het wat al te sober, met soms iets te lomp ogende beschrijvingen.

Dat is ook een bewuste keuze. Purdy zei: ‘Stijl zou niet tussen de schrijver en de lezer in moeten zitten. Het maakt de communicatie kapot.’ Het eigenaardige van die opmerking, die je wel vaker hoort bij schrijvers, is dat ook een sobere stijl, of een stijlloze stijl, een bepaalde stijl is. En dus ook tussen de schrijver en de lezer in kan zitten.

Het is in elk geval proza dat past bij de vroege twintigste-eeuw toen computers nog niet bestonden: er is geen woord te veel. Schrijven viel hem ook niet makkelijk. Na 4 bladzijden schrijven moest hij echt bijkomen. Hij schrijft graag zo ver mogelijk door om pas achteraf te gaan editen: ‘Het is als bergbeklimmen: je kunt beter doorgaan.’

Wat waren zijn zwakke punten?

Een eigengereide en oncompromisloze kerel, maar ook dat soort types hebben zwakke punten. Zoals zijn ijdelheid. Maurice van Lieshout zegt in dit stuk nog: James Purdy (1923). In een interview met Graa Boomsma zegt hij zelfs letterlijk: ‘Rond 1960, toen ik 37 was…‘ Na zijn dood bleek hij toch in 1914 te zijn geboren. Dat scheelt toch praktisch een decennium!

Hij hoorde zichzelf ook graag praten. In interviews stelde hij zich dienstbaar op als ‘auteur met wijsheden’ – omdat hij vermoedde (denk ik) dat van hem die rol werd verwacht. Hij schermde ook graag met positieve reacties op zijn werk. Zo vertelde hij vaak hoe de criticus en dichter John Cowper Powys hem ‘the best kind of original genius’ noemde. Elke vorm van bevestiging gaf hem een duwtje in de rug. Gek is dat ook niet: dat zijn de halmen om je aan vast te klampen als outsiderartiest.

Ik denk dat hij er enorm van genoten zou hebben dat sinds zijn dood de waardering voor zijn werk toeneemt. Hij koesterde dat idee vermoedeljik zijn hele leven. Zoals blijkt uit dit stuk in The New Yorker.

Hij had natuurlijk ook niet veel meer dan zijn schrijven. ‘Het is het enige wat ik kon om te overleven. Als ik iets anders was geweest, was ik overleden.’

Zijn leven was zwaar en ook geregeld niet leuk, met weinig erkenning en weinig geld, maar daardoor is zijn werk wel houdbaarder voor een toekomst als hij er zelf niet meer is. Het is een wrange ironie die veel kunstenaars meemaken.

Waar te beginnen als je Color of Darkness hebt uitgelezen?

De best gewaardeerde Purdyromans zijn:

The House of the Solitary Maggot (1974) was zijn eigen favoriete boek.

Meer lezen