Hoe was Berlijn vlak na de oorlog?

Indipendenza geeft om de maand aandacht aan bijzondere literatuur die in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Deze keer: Curt Riess. Het boek: ‘Brandpunt Berlijn’ (De Bezige Bij, 1953). Indipendenza wil weten is hoe het was om daar te zijn, te leven, in het Berlijn van vlak na de oorlog.

19 januari 2017 / 1168 woorden / 9 minuten leestijd

 

Een camera werkt goed. Dan krijg je een impressie. Iedereen kent wel die beelden van Berlijn in 1945, zie bijvoorbeeld hieronder, van het Berlin Channel op Youtube. Een grote ravage.

Maar beelden zijn maar beelden. Hoe zit het met de mensen? Curt Riess was er ook en sprak met ze. Hij verwerkte zijn ervaringen in een ijzersterk boek.

De cover met een wie weet hoe oude koffievlek

 

Brandpunt Berlijn
Wat je niet snel in de geschiedenisboeken vindt: hoe de Berlijner door niemand werd ‘bevrijd’. Hoe eenzaam moet de wereld hebben gevoeld voor de gewone Berlijner, die misschien wel een hekel had aan zijn eigen overheid. Maar in tijden van oorlog is er geen tijd voor nuances. Berlijn was een frontlinie.

Riess had zelf aardig wat van de wereld gezien toen hij er vlak na de oorlog weer terugkeerde. Hij was net als Hugo Baruch een min of meer statenloos persoon, en ook hij had Duitse roots (geboren in Wurzburg) en ook hij vluchtte in de jaren dertig naar Parijs. Hij werd daar journalist. Het blad Paris Soir stuurde hem in 1934 naar de Verenigde Staten. Schreef daar talloze journalistieke boeken over nazi-Duitsland. Reisde van London, Paris, New York naar Hollywood.

Dit boek gaat over de ravage die Berlijn was in 1945. Het werd gepubliceerd in 1953 als Berlin Story (Brandpunt Berlijn in het Nederlands). Hij had al elf boeken geschreven voor dit boek – allemaal vanaf 1941. Praktisch een boek per jaar dus. Allemaal over de oorlog.

De Bezige Bij gaf dit boek uit in Nederland.  Toen werden er nog echte flapteksten geschreven.

‘Dit is de biografie van een stad. Men zou het kunnen vergelijken met de levensgeschiedenis van een man, die tijdens de oorlog onder het puin begraven werd en van wie men aannam, dat hij dood was, doch die op wonderlijke wijze na de oorlog terugkeerde in het land der levenden, echter met hiaten in zijn herinnering.’

Je vindt er weinig van terug als je zoekt op internet, maar het is echt een waardevol document. Ten eerste omdat het niet zozeer over oorlog gaat, maar over mensen. Ten tweede was hij intussen al een ervaren publicist en journalist. Dat lees je er aan af. Ten derde had Riess uitmuntende bronnen.


Ontmoetingen
Riess bezoekt overal mensen. Leraren, kinderen, ouderen, soldaten, dieven, hoeren. En hij praat met ze. En trekt conclusies.

‘Steeds vroeg ik mij af: Waar wonen de Berlijners nu? In deze huizen konden zij onmogelijk wonen, er zaten ramen noch deuren in. Het antwoord was, dat de Berlijners met zijn vijven of zessen in een kamer woonden, de enige bewoonbare kamer van een gehele verdieping of van een geheel huis.’

Wil je de Berlijners van die tijd ontmoeten? Hij ontmoet de zoon van een topnazi – wiens leven nu kansloos was geworden.

‘Plotseling barstte hij los: ‘Het komt allemaal door mijn vader. Omdat ik de zoon van mijn vader ben, mijden zij mij en behandelen zij mij als een stuk vuil.’ Zijn stem trilde en ik dacht, dat hij op het punt stond te gaan huilen.’

Hij ontmoet ‘puinvrouwen’, die het werk deden wat niemand wilde doen.

‘Ik moet per dag duizend stenen schoonmaken – 125 per uur, twee per minuut. Ik krijg 77 pfennig per uur, of ongeveer 28 Mark per week als de belastingen er afgetrokken zijn. (…) dat is juist voldoende om al het voedsel te kopen, dat wij op onze distributiekaarten kunnen krijgen, verder een beetje gas, een beetje licht, een beetje huur en nog wat geld voor de bussen.’

Ook mooi is de ontmoeting met de heer Werner.

‘Het was Mei 1945, tien dagen nadat de Russen de stad waren binnengetrokken. Hij was in zijn tuin bezig fruitbomen en struiken te snoeien, toen een auto voorbijreed. Iemand nam hem zonder veel te zeggen mee. Een hele poos dacht dr Werner, dat hij gearresteerd of ontvoerd werd. In een huis ontmoette hij de voormalige communistische Rijksdagafgevaardigde Walter Ulbricht. En hij werd uitgeroepen tot burgemeester. ‘Er was geen enkele phase in zijn leven, die hem bij uitstek geschikt maakte voor het burgemeesterambt van Berlijn.’

 

Zoveel dingen die verstopt zijn in de naden van de grote geschiedenis. In het boek van Riess wordt het een en ander onthuld.

‘Er was nu al een zwarte-markt in zuiveringen. Afhankelijk van het feit of de cliënt een belangrijke of onbelangrijke Nazi was, kon hij zijn goede naam terugkrijgen tegen een betaling van tien pond boter of 3000 Mark. (…) Berlijn was gekomen in een stadium van volkomen omkoopbaarheid. (…).’

Of de opmerkelijke sigarettenstandaard.

‘Voor sigaretten kon men alles kopen. Goederen kostte zoveel sigaretten of zoveel sloffen sigaretten – Amerikaanse sigaretten natuurlijk. De prijs in Marken werd berekend naar de prijs van sigaretten.’

Het moet zo’n immens treurige tijd zijn geweest. Niets is wat het lijkt. Dat bewijst deze man wel.

‘Ik kende een oude man die zijn vrije tijd doorbracht met boomstronken uitgraven. Hij werkte altijd op plaatsen waar veel mensen voorbijkwamen. Hij was veel te oud en te zwak om er ooit een hele boomstronk uit te kunnen krijgen. ‘Dat hoeft ook niet,’ vertelde hij mij. ‘Wanneer ik aan ‘t graven ben, blijven de mensen stilstaan en hebben medelijden met mij, omdat ik zo oud ben. En dan geven ze mij wat geld of iet te eten. (…) De volgende keer ga ik naar een andere plek, want natuurlijk zouden de mensen, die mij de vorige dag gezien hadden, kwaad worden, als ik weer op dezelfde plaats bezig was.’

 

Tranendal
Berlijn 1945 was een lang tranendal van verhalen, ik bedoel echt drama. En Riess hoeft er soms niets voor te doen. Hij belt ergens aan, bezoekt een bar: bijna alles is goed genoeg om een verhaal op te leveren. Een keer springt een jongen achterin zijn auto want er komt net politie aan. Ries zegt niets, de politie druipt af. De jongen beschrijft hoe hij met een bende kinderen probeert te overleven. Hij gaat mee, slaat wat straten in, en in een verlaten huis staren twaalf kinderen hem aan. Hij krijgt whiskey aangeboden.

‘Ik was verwonderd. ‘Waar hebben jullie de whiskey vandaan gehaald?’ ‘Er worden hier geen vragen gesteld’, verklaarde Paul op de wijze van de traditionele bendeleider.’

Berlijn leefde in een sfeer van vrijwel complete anarchie.

‘Honger was de oorzaak dat er dagelijks duizenden kleine misdaden in Berlijn gebeurden; dat alles dat maar even onbewaakt op straat werd achtergelaten, gestolen werd. Een auto kon in een paar minuten van alles ontdaan zijn, van de banden tot de koplampen, bumpers en bekleding.’

En soms is het zo wrang dat je het boek even opzij moet leggen.

‘Overal stierven de mensen, omdat zij niet langer de kracht om te leven hadden. Maar wat moest dan met de lijken gebeuren? Er waren geen doodskisten. Mensen, die een tuin hadden, begroeven daar hun ouders, vrouw en kinderen, nadat zij de lichamen in krantenpapier gewikkeld hadden.’

Het is een bijzonder, tijdloos document. Het boek is uiteraard niet meer verkrijgbaar, maar wie weet, als we het allemaal Bezige Bij vriendelijk vragen, geven ze het opnieuw uit, in een herziene vertaling, met meer beeldmateriaal en meer achtergrondinformatie. Het zou wel recht doen aan Curt Riess’ kwaliteiten als verslaggever. Hij laat zien wat je met nieuwsgierigheid allemaal kunt bereiken.


The New York Times bespreekt het boek in 1952
Postuum in The New York Times
Curt Riess in Wikipedia
In de Deutschen Nationalbibliothek