Een reisgids voor het Londen van Shakespeare

Stel je voor dat ooit toch de tijdmachine wordt uitgevonden en je reist naar Londen in 1599, hoe zou je je dan moeten gedragen in een compleet andere tijd? We zouden ons vermoedelijk geen raad weten. Hoe zit het met het vervoer? Welke wijken moet je mijden, welke zijn juist interessant? Hoe gedraag je je aan tafel?

7 februari 2017 / 2088 woorden / 16 minuten leestijd

Tijdmachine

Voor dat niet-bestaande probleem is nu al een oplossing: een reisgids over het Londen van 1599. In Shakespeare’s London on Five Groats a Day lezen we alles over de munteenheden uit die tijd, de gewoonten, de attracties, de beroemdheden, maar ook hoe de bestrijding van de criminaliteit is geregeld.

Alleen al om iets af te rekenen in die tijd heb je dringend bijscholing nodig.

“Voor alledaags rekenwerk moet je weten dat er twaalf penny’s in een shilling gaan en twaalf shilling in een pond. Er is ook een rekeneenheid die de mark heet, en die gelijk is aan dertien shilling en vier pence (tweederde pond). De mark wordt vaak gebruikt als eenheid voor de berekening van salarissen, pensioenen, huren en andere zakelijke doeleinden.”

Uitgeverij Thames and Hudson bracht dit boek, geschreven door Richard Tames, in 2009 op de markt. Dat idee was niet nieuw. Al eerder waren twee andere delen over reizen naar het oude Athene en Rome verschenen, beide geschreven door Philip Matyszak.

De Nederlandse vertalingen zijn uitgegeven door uitgeverij Athenaeum: Het oude Athene voor vijf obolen per dag en Het oude Rome voor vijf denarii per dag. De vormgeving van de vertalingen is een applausje waard, zo stiekem als het op een Lonely Planet lijkt, met de naam Planeta Solita (Spaans voor Lonely Planet) erboven.

En ze staan vol tips die voor een tijdreiziger heel nuttig zouden zijn.

“In Engeland worden wegen niet aangelegd, ze ontstaan, als er maar genoeg mensen en paarden overheen gaan.”

“Op een boot zitten, is als in een gevangenis zitten.”

“Als je leven je lief is, zeg dan nergens tegen niemand, nooit ofte nimmer, een kwaad woord over de koningin.”

 

Reiziger in oude Athene

Zoals veel reisgidsen beginnen met praktische tips, begint ook de gids over Athene met aanwijzingen over de munteenheden. De reiziger die per ongeluk in het Athene van de vijfde eeuw voor Christus terecht komt, moet allereerst weten dat hij met ‘obolen’ moet betalen, en dat er zes obolen in een drachme gaan.

Mogelijkheden om de obolen te verbrassen zijn er eindeloos. De reisgids geeft een aantal alternatieven. Een gokbeluste reiziger kan zich verpozen bij hanengevechten, die je overal vindt in de stad. Een koopziek persoon, kan beter naar de Agora, vooral voor nieuwe mantels. Maar Atheners zijn zelf niet echt grote materialisten, waarschuwt de gids alvast.

De feestganger krijgt tips voor waar hij zich kan vertoeven.

“Rijkelui geven zich graag over aan symposia. Dat kunnen fijnzinnige feestjes zijn waarbij de hoofdrolspelers wijn drinken die met water is aangelengd en discussiëren over zaken die de hele wereld betreffen. (Sokrates verschijnt tot vervelens toe op zulke partijtjes).”

Eenmaal contact gelegd met een echte Athener kan dat een vriendschap voor het leven opleveren, zo legt de gids uit.

“Als gast en gastheer het goed met elkaar kunnen vinden zal de gastheer bij zijn vertrek zijn gast een klein geschenk aanbieden, een teken dat de twee voortaan xenoi zijn, een duo dat is gebonden door banden van gastvrijheid. Het wordt zelfs van generatie op generatie doorgegeven en van xenoi wordt verwacht dat ze (…) bijvoorbeeld het losgeld betalen als de ander door piraten wordt ontvoerd op zijn reis, of gevangengenomen wordt tijdens een oorlog met de stad van de ander. (…)”

De reisgids geeft een handige tip om de status van je gastheer te achterhalen.

“Ga na hoeveel hout er is verwerkt, en hoeveel soorten. (…) Een welgestelde Athener zal houden van cederhout van trappen en deuren, den of spar voor de vloeren en eik voor de vensterlijsten en drempels.”

De gids schetst ook een typisch Atheense gebeurtenis: een bijeenkomst van de ekklésia, of te wel de Atheense democratie. Als suggesties voor excursies geeft de gids Delphi, maar het is er helaas altijd druk, “zeker wanneer de Pythia, de priesteres van Apollo, op punt staat haar orakeluitspraken te doen.”

“Souvenirjagers kunnen terecht bij Marathon. De reisgids tipt om de Charada over te steken en daar in het uitgestrekte moerasgebied rond te neuzen. ‘Met duizenden zijn de Perzen door de zegevierende Atheners dat moeras in gedreven na de slag bij Marathon.'”

 

Interview met Philip Matyszak

Hoogst originele invalshoek dus, maar wie kwam nou op het idee om een reisgids te schrijven voor een ander tijdperk? In geen van de boeken wordt dat vermeld, en op websites is het antwoord ook niet te vinden. Thames and Hudson geeft aan in een reactie dat de editor in kwestie er niet meer werkt en ze het antwoord schuldig moeten blijven.

Het vereiste een paar mailwisselingen maar dan blijkt dat het idee voor de reeks komt van Philip Matyszak, de schrijver van de eerste twee delen, en bovendien nog een tiental andere titels over de Romeinse en Griekse tijd.

Matyszak:

‘Het idee voor deze reisgidsen kwam uit discussies tussen een reisboekenuitgever en mezelf. Hij vertelde dat een gids voor de Siberische spoorwegen goed verkocht, ook al waren maar een paar mensen van plan om de trip te maken. Toen daagde het mij dat als mensen reisgidsen lezen over plaatsen waar ze niet heen gaan, dat ze mogelijk ook reisgidsen willen lezen over plaatsen waar ze niet heen kunnen gaan.

‘Ik pitchte het idee van een reisgids over oud Rome bij Colin Ridler bij Thames and Hudson, en we discussieerden over het idee tot in detail. Voor een deel is het te danken aan zijn input hoe de gidsen eruit zijn komen te zien, voor een ander deel aan mijn ideeën, en de meerderheid aan een combinatie van onze gedachten. De titel, zoals ik me herinner, is gesuggereerd door een redacteur in het New Yorkse kantoor van Thames and Hudson. Dus het korte antwoord is dat het originele idee van mij was. De uitvoering was een teamprestatie van mezelf en Thames and Hudson.’

Uitgeverij Athenaeum had de smaak te pakken en publiceerde in 2011 een eigen namaakreisgids naar het Amsterdam van de gouden eeuw: Amsterdam voor vijf duiten per dag. Het boekje is geschreven door Emma Los en Maarten Hell.


Nuttige oefening

Hell legt uit hoe het schrijven van zo’n gids een historicus kan uitdagen.

‘Voor een historicus is het een nuttige oefening om eens te fantaseren dat je rond 1680 voor een van de stadspoorten van Amsterdam staat. Vragen als ‘met welk vervoermiddel reis je’, ‘waar ga je logeren, winkelen of geld wisselen’ en ‘wat doe je als je ziek wordt’ lijken misschien kinderachtig maar de antwoorden geven meer inzicht in deze periode dan sommige reguliere geschiedenisboeken.’

Los en Hell noemen hun gids een tijdreisgids en alles is gebaseerd op historische feiten, gevonden in literatuur of archiefbronnen.

‘Omdat de informatie wordt gepresenteerd in de tegenwoordige tijd en is gehuld in een modern lonely planet-jasje, lijkt het wel fictie.’

Het is dan wel noodzakelijk dat de feiten correct zijn, hoewel er wat schoonheidsfoutjes in zijn geslopen.

‘Hier en daar moesten we smokkelen met de aan onszelf opgelegde periode: 1675-1700. Dit tijdvak is gekozen omdat Amsterdam toen op – of misschien net over – het toppunt van zijn roem was: de laatste stadsuitbreiding was net voltooid en steeds meer reizigers bezochten de machtige metropool aan het IJ. Soms las je dan een aardig citaat in van Melchior Fokkens uit 1662 of zag je een toepasselijke prent van na 1700, die we er toch in hebben gefietst. Het is tenslotte ook weer geen exacte wetenschap, zo’n tijdreisgids.

Er is geen contact geweest met de schrijvers van de delen over Athene, Rome en Londen, maar de werken zijn wel goed gelezen. ‘De hoofdstukindeling van de Londen-gids konden we bijna rechtstreeks overnemen, al verschillen de inhoud en aanpak met onze gids. De gidsen van Matyszak zijn bijzonder geestig geschreven en geven tegelijkertijd een les cultuurhistorie van de antieke wereld.’

Heeft hij advies voor een Amsterdammer van nu, die toevallig een tijdreismachine uitvindt en hun gids meeneemt naar 1675?

‘Het is wat flauw, maar ik zou de gids vooraf kopiëren of memoriseren en bij aankomst als ‘curiositeit’ tegen een gunstige prijs verkopen aan een van de boekverkopers langs het Damrak. Van de opbrengst kun je dan een week logeren in de Liesveldse Bijbel of het Herenlogement, dineren in een Franse herberg en alle toeristische trekpleisters van 17de-eeuws Amsterdam bezoeken. Vergeet vooral niet in het stadhuis ‘naar boven’ te gaan: vanaf het dak heb je een formidabel uitzicht over de stad en als je durf hebt, kun je in de hemelbol van het Atlas-beeld klimmen. Tenminste, dat beweerde de Franse bezoeker Claude Jordan in 1695 en ik wil graag weten of dat echt mogelijk was.’

 

Persiflage

In diverse recensies zijn de quasireisgidsen een persiflage genoemd, maar dat is niet echt zo. Daarvoor zijn andere gidsen bedacht, zoals Phaic Tan, Molvanië en San Sombrero, uitgegeven door het Australische Jetlag travel. Dat zijn echte persiflages (betekent immers: spottende nabootsing). Terwijl dit, in de kern, een serieuze reisgids blijft. Beide varianten vereisen een bepaalde ironische schrijfstijl.

De informatie is juist net als in een normaal geschiedenisboek, maar curieuze geschiedenisfeiten vinden op deze manier dankbaarder hun plaats.

“Als je melk drinkt in Londen, pas dan op voor een opvallende nasmaak. Veel op stal gehouden koeien worden gevoed met het moutafval van de brouwers.”

“Atheners zijn weg van gebakken vis. Onze viseters raken vooral door het dolle heen als het over inktvis gaat.”

Zoals over de vraag hoe men toen zijn was deed.

“Niet het geringste voordeel van een flinke tuin voor een huisvrouw (…) is dat het een makkelijke en veilige plek is om de was op te hangen. Wie zo’n tuin niet heeft, moet met een zware mand vol nat wasgoed naar Finsbury Fields of Mile End Waste om het daar uit te spreiden over hagen en struiken. Dat kost tijd en moeite, en voor je het weet wordt het nog gestolen ook. Het stelen van te drogen gelegd wasgoed is waarschijnlijk de meest voorkomende misdaad in Londen.”

 

Caracalla

De opzet leent zich bovendien prima voor grappige opmerkingen, waarbij de herkenbaarheid een belangrijke rol in speelt.

“De thermen van Caracalla, een Romeins badhuis. De ontwerpen liggen momenteel op de tekentafel van de architect. De bouw ervan begint in 212 n. Chr.”

En herkenbare plaatsen gaan er ineens anders uitzien:

“De Londen bridge (…). Er staan zo’n honderd huizen en winkels langs. (…) De brug oversteken kan nogal een uitdaging zijn. Wanneer je niet toevallig ter plekke een paard hebt gehuurd dat gewend is aan het verkeer, is het beter om je eigen paard bij de teugel te leiden dan om te proberen het te berijden in het gedrang van wagens, ruiters, winkelende mensen, nietsnutten, bedelaars, schapen, vee en zwerfhonden.”

Piazza del Popolo, de vroegere entree van de stad Rome. Foto © Indipendenza

“Of je tijdens je verblijf in Rome spelen wil bijwonen, hangt af van je persoonlijke ethische normen. Wie gladiatorenshows bot, brutaal en ontaard vindt, staat daarin niet alleen. Slechts een klein percentage van de Romeinse bevolking woont ze van begin tot eind bij. Velen gaan niet omdat ze geen kaartje kunnen bemachtigen, maar anderen willen er gewoon niet naartoe.”

“Er is in Rome geen politie. Dat is in deze tijd volkomen normaal en het betekent dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen ordehandhaving, een opdracht van de bewindvoerders, en misdaadpreventie, waar de gemeenschap zelf voor zorgt. Dat systeem werkt omdat (…) iedereen weet wat de ander uitspookt.”

 

Introductie

Het is niet zo dat je met deze gidsen meteen de oudheid ‘begrijpt’. Daarvoor heb je veel meer andere bronnen nodig. Maar het is wel een prima introductie, of aanvulling. Je verplaatsing naar de samenleving van die tijd maakt het begrijpen van historische feiten eenvoudiger.

Als je je als lezer identificeert met reizigers uit de oudheid, is dat een stap naar meer begrip voor geschiedenis. Dan snap ik ineens een stuk beter hoe de inwoners van Rome afhankelijk waren van de grillen van bijvoorbeeld het leger.

“Omdat de pretoriaanse garde in de omgeving van Rome de grootste militaire eenheid is, zijn de keizers voor hun bescherming van haar afhankelijk. (…) Omdat ze vonden dat keizer Pertinax hun geen passend donativum had gegeven, vermoordden ze hem en namen zijn hoofd, op een lans gespietst, mee naar hun kamp. Vervolgens verkochten ze het keizerschap aan de hoogste bieder. De doorsnee Romein heeft afkeer van de arrogante en brutale pretorianen.”

Misschien zullen mensen ooit ook de Lonely Planets van deze tijd lezen en zich afvragen: leefden die mensen echt zo?

 

BBC Building the ancient cities Athens and Rome

Thames and Hudson

Athenaeum

Philip Matyszak

Maarten Hell

Vincent Hunink